Hoge Raad 28-04-2000 (Buijnsters/Tebecon), RvdW 2000, 116, JOL 2000, 261, JAR 2000, 121, NJ 2000, 582


Vakantiedagen (ATV-dagen). Verjaring. Verrekening. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 121.

Een werknemer vordert na beëindiging van de arbeidsovereenkomst (duur bijna 4 jaar) met wederzijds goedvinden ondermeer vergoeding van niet genoten vakantiedagen, respectievelijk roostervrije dagen. De werkgever beroept zich op de korte verjaringstermijn van art. 1638ll lid 2c BW (oud). De rechtbank is bij tussenvonnis van oordeel dat de vorderingen verjaard zijn en dat met betrekking tot de roostervrije dagen aansluiting moet worden gezocht bij de wettelijke bepalingen inzake niet genoten vakantiedagen. De Hoge Raad deelt dit oordeel niet. In zijn arrest van 26-02-1998 (Wijngo/Van Wezel, RvdW 1998, 42, JAR 1998, 83, NJ 1998, 35, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 164) stelde de Hoge Raad voorop dat ATV-regelingen in het algemeen in het leven zijn geroepen om verlies van arbeidsplaatsen tegen te gaan en nieuwe arbeidsplaatsen te creëren. De Hoge Raad oordeelde dat bij aanspraak op niet genoten ATV-dagen de korte verjaringstermijn van art. 1638ll BW (oud) niet rechtstreeks van toepassing is, terwijl voor analoge toepassing vanuit het oogpunt van rechtszekerheid geen plaats is. Omdat partijen nog geen rekening hebben gehouden met bovengenoemd arrest en volgens dit arrest niet geheel is uitgesloten dat een ATV-regeling wordt overeengekomen waarbij een korte verjaringstermijn wel van toepassing is, staat het de werkgever vrij feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit valt af te leiden dat dit geval zich hier voordoet. Het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de werknemer op verrekening (in rekening-courant) van art. 6:131 BW hem niet kan baten, omdat de vorderingen zijn verjaard, miskent volgens de Hoge Raad dat in art. 6:131 lid 1 BW de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de vorderingen, ofwel het oordeel is ontoereikend gemotiveerd. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen, zal de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de vorderingen van de werknemer moeten beoordelen met inachtneming van HR 21-06-1991, NJ 1991, 743, waarin ondermeer werd overwogen dat, gelet op art. 1638ii lid 2 BW (oud) de bewijslastverdeling met betrekking tot vakantiedagen in belangrijke mate afhankelijk is van wat de werkgever, gezien zijn verplichting tot administratie, aan bewijsmateriaal kan overleggen en in hoeverre dit bewijsmateriaal door de werknemer wordt betwist. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof.

Terug naar overzicht