Hoge Raad 28-04-2000 (Guitoneau/Midnet), RvdW 2000, 115, JOL 2000, 260, JAR 2000, 120, NJ 2000, 565


Kennelijk onredelijk ontslag. Functiewijziging. Goed werknemerschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 120.

De functie van een 53-jarige chef taxicentrale, 22 jaar in dienst, komt na overname van het bedrijf te vervallen als gevolg van reorganisatie. De werknemer wordt als bedrijfsleider taxi aangesteld met een salaris van NLG 5.246,34 bruto per maand. Als de werknemer niet aan de eisen van de nieuwe functie kan voldoen, wordt hem de functie van taxichauffeur aangeboden met ongeveer hetzelfde loon dat hij als chef taxicentrale verdiende. Na een aantal jaren kan de werknemer dan gebruikmaken van de VUT-regeling. Als de werknemer het aanbod niet aanvaardt, zegt de werkgever de arbeidsovereenkomst met toestemming van de RDA op, onder toekenning van een vergoeding van NLG 62.956,08 bruto. De werknemer acht het ontslag kennelijk onredelijk en stelt dat de aangeboden functie niet passend is. De kantonrechter acht de weigering van de functie niet onbegrijpelijk en kent de werknemer een vergoeding toe van NLG 215.000,-- bruto, verminderd met het reeds betaalde bedrag. De rechtbank wijst de vordering af en de werknemer gaat in cassatie. De Hoge Raad stelt dat de rechtbank, bij de beoordeling van de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk was, gewicht had mogen toekennen aan de weigering van de werknemer de aangeboden functie te aanvaarden. Hoewel deze weigering op zich een kennelijk onredelijk ontslag niet uitsluit (zie HR 30-01-1998, Chubb Lips/Jansen, RvdW 1998, 34, JAR 1998, 82, NJ 1998, 476, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 9), neemt dit niet weg dat een werknemer als een goed werknemer op redelijke voorstellen van zijn werkgever in het algemeen positief behoort in te gaan en deze voorstellen alleen mag afwijzen als aanvaarding redelijkerwijs niet van hem gevergd kan worden (zie HR 26-06-1998, Van der Lely/Hofman, RvdW 1998, 140, JAR 1998, 199, NJ 1998, 767, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 135). Het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar van de werknemer tegen de aangeboden functie in de kern van financiële aard was, acht de Hoge Raad onbegrijpelijk. De werknemer heeft in de procedure bij de kantonrechter mede gewezen op zijn leeftijd en de omstandigheid dat hij geacht werd de werkzaamheden als taxichauffeur zoveel mogelijk in de avonduren en in de weekenden uit te voeren. Het was juist de combinatie van nadelige voorwaarden op grond waarvan de werknemer besloot niet akkoord te gaan. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het Hof.

Terug naar overzicht