Hoge Raad 29-01-1999 Verkerk/Wifac, RvdW 1999, 25, JAR 1999, 46, NJ 1999, 323


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 46.

Een onderhoudsmonteur met een dienstverband van 12 jaar raakt arbeidsongeschikt tengevolge van overspannenheid. Na twee jaar arbeidsongeschiktheid ontslaat de werkgever de werknemer met toestemming van de RDA. De werknemer acht het ontslag kennelijk onredelijk en vordert een schadevergoeding onder meer omdat de reden van zijn overspannenheid is gelegenheid in de werksituatie. De kantonrechter wijst de vordering af evenals in hoger beroep de rechtbank. De rechtbank overweegt dat het verwijt dat de werkgever de werknemer onbehoorlijk heeft behandeld, niet de conclusie wettigt dat beëindiging van het dienstverband kennelijk onredelijk is. Van een kennelijk onredelijk ontslag kan alleen sprake zijn in de gevallen genoemd in art. 1639s BW (oud), welke zich hier niet voordoen. De Hoge Raad overweegt dat art. 1639s BW (oud) geen definitie bevat van het begrip kennelijk onredelijk. Uit de tekst van de bepaling blijkt dat de opsomming van de omstandigheden niet uitputtend is. Ook de wetsgeschiedenis laat daarover geen twijfel. De vijf in art. 1639s lid 2 BW (oud) genoemde gevallen zijn slechts voorbeelden op grond waarvan de rechter tot de kennelijke onredelijkheid van een ontslag kan besluiten. Zij houden geen limitatieve opsomming in. Ook andere dan de in art. 1639s lid 2 BW (oud) genoemde omstandigheden kunnen tot het oordeel leiden dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Aldus heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de door de werknemer aangevoerde omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het Hof.

Terug naar overzicht