Hoge Raad 29-09-2000 (Van D./Nutricia), RvdW 2000, 196, JOL 2000, 454, JAR 2000, 223


Ontslag op staande voet. Ziekte (overmatig alcoholgebruik).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 223.

Een werknemer wordt op staande voet ontslagen nadat hij zich ziek had gemeld omdat hij zoveel alcohol had gedronken dat hij niet in staat was te werken. De werknemer roept de nietigheid in en vordert doorbetaling van loon omdat er sprake is van een opzegverbod tijdens ziekte en een dringende reden ontbreekt. Zowel de kantonrechter als de rechtbank wijzen de vordering af. De werknemer gaat in cassatie, stellende dat er geen sprake is van een dringende reden omdat zijn excessieve alcoholmisbruik, als gevolg van onvrede met zijn werksituatie, moet worden beschouwd als een ziekte, waarvoor hem geen verwijt treft. De Hoge Raad stelt voorop dat een dringende reden voor de werkgever ex art. 1639p BW (oud) (thans art. 7:678 BW) bestaat in "daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer" als gevolg waarvan "van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren". Dat de werknemer van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt, is niet vereist. Uitgangspunt behoort te zijn dat ontslag op staande voet in beginsel ook mogelijk is indien de werknemer geen verwijt treft. Afhankelijk van de aard van de dringende reden en, voor het geval die aard niet reeds de eis van verwijtbaarheid met zich meebrengt, van de concrete omstandigheden van het geval, kan het verweer van de werknemer dat de reden niet toereikend is vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid, doel treffen (zie HR 03-03-1989, RvdW 1989, 79, NJ 1989, 549). De rechtbank heeft op grond van de omstandigheden geoordeeld dat het werkverzuim een dringende reden opleverde en in overeenstemming met bovengenoemd arrest tot uitdrukking gebracht dat ook al moet worden aangenomen dat werknemer geen verwijt kan worden gemaakt, dit verweer geen doel treft. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht