Hoge Raad 29-10-1999 B/EMS, JAR 1999, 255


Schorsing. Sollicitatie (verzwijgen van strafrechterlijk verleden). Goed werkgeverschap (privacy).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 255.

Een werknemer, vijf jaar in dienst van een koeriersdienst, wordt geschorst zonder behoud van loon wegens vertrouwensbreuk in verband met het verzwijgen van zijn strafrechterlijk verleden. De werknemer is gedurende zijn dienstverband veroordeeld wegens bijstandsfraude. De kantonrechter en de rechtbank achten de schorsing terecht, wijzen de vordering tewerkstelling af en veroordelen de werkgever tot doorbetaling van loon. In cassatie overweegt het OM dat gezien de complexiteit van de problematiek een concreet oordeel nauw verweven zal zijn met de beoordeling van de feiten. Een werkgever is vrij om te vragen naar het verleden van een werknemer, ook naar het strafrechtelijk verleden indien de functie dit meebrengt. Het ligt voor de hand dat de werkgever in dat geval voldoende gegevens verzamelt voor de aanvang van de arbeidsovereenkomst. Als later blijkt dat de werknemer onjuiste informatie heeft verstrekt inzake objectief relevante gegevens, dan kan dit arbeidsrechtelijke consequenties hebben. Een werkgever heeft in het algemeen echter niet de vrijheid om na aanvang van de arbeidsovereenkomst deze gegevens in te winnen, tenzij er serieuze verdenkingen rijzen terzake van de met de aard van de werkzaamheden onverenigbare oude strafrechtelijke gedragingen. Het staat de werkgever niet vrij om bij wijze van routine controle te doen. Anders ligt het wanneer er sprake is van een met de aard van de werkzaamheden onverenigbare gedragingen van de werknemer, die plaatsvinden na de aanvang van de arbeidsovereenkomst. Als het om een objectief relevante vraag gaat, die redelijkerwijs door de werkgever mag worden gesteld, mag de werknemer die niet onjuist beantwoorden. Dat de werkgever niet onbeperkt het recht heeft informatie in te winnen over onderwerpen die het privéleven van de werknemer kunnen raken, vloeit mede voort uit art. 8 lid 1 EVRM. Het OM is van oordeel dat nu de werkgever bij de sollicitatie niet heeft geïnformeerd naar het strafrechtelijk verleden en de strafbare feiten zijn gepleegd voorafgaand aan indiensttreding, het de werkgever niet vrij stond om de werknemer te schorsen. Ook stond het de werkgever in dit geval niet vrij om routinematig inlichtingen in te winnen. Hoewel de cassatieklachten gegrond zijn, kunnen zij niet tot cassatie leiden omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels is geëindigd en de werknemer geen belang heeft bij tewerkstelling. De Hoge Raad volgt de conclusie van het OM en wijst het beroep af.

Terug naar overzicht