Hoge Raad 31-03-2000 (Klomp/NS), RvdW 2000, 89, JOL 2000, 189, JAR 2000, 101, NJ 2000, 497


OR-lid (Benadeling). Deeltijdarbeid. Gelijke behandeling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 101.

Een reservegroepsleidster bij de NS met een arbeidsovereenkomst van minimaal 20 uur en maximaal 32 uur per week is lid van een bedrijfsonderdeelcommissie van de OR. De werkneemster besteedt in overleg met haar onderdeelsmanager 12 uur per week aan het medezeggenschapswerk en acht uur per week aan haar functie. Wanneer de werkneemster haar werkzaamheden voor de OR uitbreidt, verzoekt zij haar werkgever haar voor 24 uur per week op te roepen omdat zij 16 uur per week voor het OR-werk nodig heeft en de functie van groepsleidster minimaal 8 uur per week vergt. De werkgever gaat niet akkoord en de bedrijfscommissie komt niet tot een advies. De werkneemster verzoekt vervolgens op grond van art. 36 WOR een verklaring voor recht dat het door de werkgever gemaakte onderscheid tussen werkuren en OR-uren strijdig is met art. 21 lid 1 (oud) WOR en jegens haar een benadelinghandeling oplevert en ten tweede de werkgever op te dragen gebruik te maken van de bandbreedte in haar arbeidsovereenkomst, indien de combinatie tussen het medezeggenschapswerk en haar eigen werk meebrengt dat het minimum van 20 uur wordt overschreden en ten derde te verklaren voor recht dat parttimers die deelnemen aan het medezeggenschapswerk recht hebben op loonbetaling over de uren die zij in verband daarmee werkzaam zijn boven de overeengekomen uren. De kantonrechter wijst het eerste en tweede deel af en verklaart de werkneemster ten aanzien van het derde deel niet-ontvankelijk. In hoger beroep bekrachtigt de rechtbank de beschikking met betrekking tot het tweede en derde deel en verklaart de werkneemster niet-ontvankelijk ten aanzien van het eerste deel en ten aanzien van het in hoger beroep subsidiair gewijzigde derde verzoek, omdat volgens art. 21 lid 1 (oud) WOR de werknemer slechts aan de rechter kan verzoeken de werkgever gevolg te geven aan het aldaar bepaalde maar niet een verklaring van recht kan worden verzocht. De Hoge Raad is van oordeel dat de rechtbank de werkneemster ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar op art. 21 lid 1 (oud) WOR gebaseerde verzoeken (verbod benadeling OR-lid). Indien de rechter bepaalt dat de ondernemer gevolg dient te geven aan zijn verplichtingen uit hoofde van art. 21 lid 1 (oud) WOR dan omvat deze bepaling de vaststelling van hetgeen de verplichting van de onderneming inhoudt. Aard en strekking van art. 21 brengen mee dat de rechter op een daartoe gedaan verzoek kan volstaan met het uitspreken van een verklaring voor recht, mits deze blijft binnen de grenzen van de wetsbepaling en dit beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen de werkneemster en de werkgever. Het doel van art. 21 WOR is een…

Terug naar overzicht