HR 01-03-2002 (Guérand/PTT), RvdW 2002, 52, JOL 2002, 142, JAR 2002, 67


Loon. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 67.

Een werkgever heeft voor een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer een ontslagvergunning aangevraagd, doch de RDA heeft de verzochte vergunning geweigerd op de grond dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er binnen de organisatie van de werkgever geen herplaatsingsmogelijkheden waren. De werkgever heeft ongeveer een jaar later andermaal een ontslagvergunning verzocht. Dat verzoek is geweigerd op dezelfde grond als het eerste verzoek. Na verloop van twee jaar heeft de werkgever vervolgens de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, welk verzoek is ingewilligd onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer die is berekend conform de kantonrechtersformule met correctiefactor 1,5. Nadien heeft de (ex-)werknemer bij dagvaarding een vordering ingesteld tegen zijn (ex-)werkgever die strekte tot betaling van loon over de periode vanaf de datum waarop hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt tot datum einde dienstverband. De kantonrechter en de rechtbank hebben de vordering afgewezen. Het middel betoogt dat – anders dan de rechtbank oordeelde - het feit dat de kantonrechter bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding rekening heeft gehouden met het feit dat de werkgever zich niet als goed werkgever heeft gedragen door niet te voldoen aan haar inspanningsverplichting tot reïntegratie, niet aan de loonvordering in de weg staat. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst brengt mee dat in de regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zoals neergelegd in art. 7:685 BW het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid (of zoals in de onderhavige procedure, aan hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten) in beginsel ten volle, onder meeweging van alle voor zijn oordeel relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op de voet van art. 7:685 BW met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, zodat er daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is (HR 02-11-2001, Elverding/Wienholts, RvdW 2001, 172, JOL 2001, 602, NJ 2001, 667, JAR 2001, 255, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 189). Deze vergoeding betreft niet aanspraken van de werknemer die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking en betrekking hebben op de periode vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en die geen verband houden met de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen van die beëindiging, zoals bij voorbeeld een aanspraak op achterstallig loon. Voor het geldend maken van zodanige aanspraken is deze eenvoudige, op een spoedige beslissing…

Terug naar overzicht