HR 01-11-2002 (Op 't Land/ESS), RvdW 2002, 176, JOL 2002, 583, NJ 2002, 622, JAR 2002, 279


Gelijke behandeling. Goed werkgeverschap. Kennelijk onredelijk ontslag. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 279.

Een werkneemster heeft een schadevergoeding gevorderd wegens kennelijke onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan wel handelen in strijd met het goed werkgeverschap. Zij heeft aangevoerd dat een ontslag louter op de grond dat de werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt, een ontoelaatbare ongelijke behandeling - discriminatie naar leeftijd - vormt. De rechtbank heeft de vordering in hoger beroep afgewezen. Het middel klaagt dat zich sinds het arrest van de Hoge Raad van 13-01-1995 (Codfried/ISS, RvdW 1995, 28, NJ 1995, 430, JAR 1995, 35, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1995, blz. 132) ontwikkelingen hebben voorgedaan op grond waarvan de gangbare argumenten ter rechtvaardiging van een ontslag wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd thans niet langer kunnen dienen als een redelijke en objectieve rechtvaardiging van bedoelde ontslaggrond. De Hoge Raad overweegt dat in de ontwikkelingen op het gebied van wetgeving niet voldoende steun is te vinden voor het door het middel bepleite standpunt. De (invoering en afschaffing van de) leeftijdsgrens voor commissarissen, noch de - inmiddels ingetrokken - wetsvoorstellen 25 677 en 26 880, noch ook het op 18 december 2001 ingediende wetsvoorstel 28 170 (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid), welk voorstel strekt tot implementatie van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000, tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, geven aanleiding tot een minder terughoudende beoordeling dan is aanvaard in het vermelde arrest van de Hoge Raad van 13-01-1995 en evenmin grond voor het oordeel dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onvrijwillig beëindigen van de dienstbetrekking bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet langer bestaat. Het betoog dat omtrent het voorgaande anders moet worden geoordeeld indien een ontslag op 65-jarige leeftijd plaatsvindt zonder dat sprake is van een vanaf dat moment bestaande inkomen genererende pensioenvoorziening in de bedrijfstak, althans een andere door de werkgever getroffen voorziening, faalt eveneens. Uit de Nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel 28 170 blijkt dat de regering heeft onderkend dat bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd niet steeds naast aanspraak op een uitkering op basis van de wettelijke sociale zekerheid ook aanspraak kan worden gemaakt op een bovenwettelijk pensioen, maar de bepaling in art. 7 lid 1 onder b, van het wetsvoorstel zo heeft willen inrichten dat een ontslag op de AOW-gerechtigde leeftijd steeds objectief en redelijk gerechtvaardigd is, onafhankelijk van de vraag of recht op een bovenwettelijk pensioen bestaat. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat langs deze weg in feite…

Verder lezen
Terug naar overzicht