HR 03-05-2002 (GTI/Kluppel), RvdW 2002, 79, JOL 2002, 273, NJ 2002, 348, JAR 2002, 135


RDA-/CWI-vergunning. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 135.

(Zie voorgeschiedenis HR 26-06-1998, RvdW 1998, 139, NJ 1998, 766, JAR 1998, 184, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 296). De werknemer roept de nietigheid in van aan hem gegeven ontslag. Het verweer van de werkgever dat de werknemer de nietigheid van het hem aangezegde ontslag niet zou hebben ingeroepen, heeft de rechtbank verworpen op de grond dat de werknemer in zijn memorie van grieven de nietigheid van dat ontslag had ingeroepen. De Hoge Raad heeft op het eerste cassatieberoep het vonnis van de rechtbank vernietigd daartoe overwegende dat ten tijde van het indienen van de memorie van grieven de termijn van art. 9 BBA reeds was verstreken, zodat de werknemer toen niet meer bevoegd was de nietigheid van het ontslag in te roepen. De Hoge Raad heeft het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof. Het hof is in zijn thans bestreden arrest ervan uitgegaan dat zijn taak na verwijzing meebrengt dat het alsnog onderzoekt of de werknemer eerder en dan wél binnen een termijn van zes maanden de nietigheid van de opzegging heeft ingeroepen. In cassatie klaagt de werkgever dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, doordat het heeft miskend dat de rechtbank - impliciet - had beslist dat de werknemer de nietigheid van het hem gegeven ontslag niet eerder dan bij memorie van grieven heeft ingeroepen, welke beslissing van de rechtbank, aldus het onderdeel, in cassatie niet is bestreden. De Hoge Raad overweegt dat na verwijzing door de Hoge Raad de rechter naar wie het geding wordt verwezen, dit verder dient te behandelen en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad (art. 424 Rv), en daarbij dient uit te gaan van de in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen van de rechter wiens uitspraak is vernietigd. De Hoge Raad heeft de overwegingen van de rechtbank, voor zover thans van belang, aldus samengevat dat de werknemer de nietigheid van het bij opzegging van 16 februari 1994 gegeven ontslag bij memorie van grieven heeft ingeroepen. Anders dan de werkgever in cassatie betoogt kan hieruit niet als oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat de nietigheid niet op een ander, eerder tijdstip kan zijn ingeroepen, zoals trouwens mede volgt uit het feit dat de Hoge Raad na vernietiging van het vonnis van de rechtbank verwijzing nodig oordeelde. Bij deze stand van zaken diende het hof, zoals het heeft gedaan, zelf de uitspraak van de rechtbank uit te leggen ten einde vast te stellen of daarin was beslist dat de werknemer de nietigheid van het ontslag niet eerder dan bij memorie van…

Terug naar overzicht