HR 03-05-2002 (Steenkorrel/Öztürk), RvdW 2002, 78, JOL 2002, 270, JAR 2002, 134


Matiging loonvordering. Ontslag op staande voet. Wettelijke verhoging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 134.

De werknemer is in 1990 op staande voet ontslagen. Vervolgens heeft hij doorbetaling van loon gevorderd, vermeerderd met de wettelijke verhoging. De rechtbank heeft de loonvordering en de wettelijke verhoging toegewezen, doch zij heeft beide gematigd. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de werknemer dat zich richtte tegen de door de rechtbank toegepaste matiging van de loonvordering gegrond bevonden en de zaak naar het Hof te Amsterdam verwezen (HR 30-10-1998, Öztürk/VBS, RvdW 1998, 200, NJ 1999, 268, JAR 1999, 11, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 183). Het hof heeft met betrekking tot het beroep van de werkgever op matiging van de loonvordering overwogen dat het geen acht kan slaan op de daartoe na verwijzing aangevoerde omstandigheden omdat deze feitelijke verweren niet eerder door de werkgever zijn aangevoerd en het de zaak dient te behandelen in de stand waarin zij zich bevond toen de vernietigde uitspraak werd gewezen. Het hof oordeelt dat toewijzing van de loonvordering in de gegeven omstandigheden niet tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Ten aanzien van het betoog van de werkgever dat de wettelijke verhoging gematigd dient te worden tot nul, heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank een beslissing heeft gegeven die in cassatie niet bestreden is en daarom onaantastbaar is. De Hoge Raad overweegt dat ingevolge de laatste volzin van art. 7A:1638q lid 1 BW (oud) de rechter bevoegd is de verhoging wegens de vertraging in de uitbetaling van het loon te beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Tot deze omstandigheden behoort ook de totale omvang van de toewijsbare vordering tot doorbetaling van het achterstallige loon, welke omvang mede wordt bepaald door eventueel door de rechter toegepaste matiging. Het hof diende dan ook, toen het tot een andere beslissing kwam dan de rechtbank met betrekking tot de omvang van de toewijsbare loonvordering, tevens opnieuw te beslissen over matiging van de daarover verschuldigde wettelijke verhoging. Oordelend als hiervoor weergegeven, heeft het hof de samenhang tussen deze beide beslissingen miskend. Van een onjuiste rechtsopvatting getuigt 's hofs oordeel dat bij de beoordeling van de matiging van de loonvordering geen acht geslagen kan worden op omstandigheden die door de werkgever in het geding vóór verwijzing niet zijn aangevoerd; voorzover het omstandigheden betreft waaraan de rechtbank ambtshalve aandacht had mogen besteden, had het hof op de door de werkgever in het geding na verwijzing aangevoerde omstandigheden acht moeten slaan.

Terug naar overzicht