HR 07-06-2002 (Greeven/Connexxion), RvdW 2002, 97, JOL 2002, 322, JAR 2002, 155


Gefixeerde schadevergoeding. Kennelijk onredelijk ontslag. Keuze nietigheid/schadeplichtigheid. Ontbinding gewichtige redenen (Voorwaardelijke). Ontslag op staande voet.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 155.

Nadat de werknemer op staande voet is ontslagen heeft hij de nietigheid van het ontslag ingeroepen en op de voet van art. 116 Rv (oud) doorbetaling van loon en wedertewerkstelling gevorderd. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen bij vonnis van 25 maart 1998. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst voor zover rechtens vereist met ingang van die dag ontbonden op grond van wijziging van omstandigheden zonder toekenning van een vergoeding. Bij brief van 25 maart 1998 heeft de gemachtigde van de werknemer aan de advocaat van de werkgever bericht dat hij op die dag van de griffie had vernomen dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk had ontbonden zonder vergoeding. Voorts berichtte hij dat de werknemer afstand deed van zijn beroep op nietigheid van het ontslag op staande voet. Ten slotte deelde hij bij deze brief mede dat de werknemer aanspraak maakte op de gefixeerde schadevergoeding en op schadevergoeding vanwege kennelijk onredelijk ontslag. De rechtbank heeft geoordeeld dat de werknemer in zijn vordering niet kan worden ontvangen op grond van de bijzondere omstandigheid dat in deze zaak al twee rechterlijke uitspraken zijn gedaan en de behandeling van de vordering tot schadevergoeding in strijd zou zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De rechtbank heeft bij haar oordeel tot uitgangspunt genomen de door de Hoge Raad in zijn arrest van 07-10-1994 (Dibbets/Pinckers, RvdW 1994, 199, JAR 1994, 234, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1994, blz. 130) neergelegde regel dat een werknemer die de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen - behoudens bijzondere omstandigheden - van die keuze kan terugkomen door jegens de werkgever ondubbelzinnig van zijn beroep op nietigheid afstand te doen. In cassatie voert de werknemer aan dat de rechtbank, oordelende als hiervoor weergegeven, heeft miskend dat de omstandigheid dat tussen partijen al twee rechterlijke uitspraken zijn gedaan, niet eraan in de weg staat dat een ontslagen werknemer terugkomt van zijn aanvankelijk beroep op nietigheid van het ontslag, en strekt derhalve ten betoge dat deze omstandigheid niet een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in evengenoemd arrest. De Hoge Raad stelt voorop dat de afstand van het beroep op nietigheid weliswaar betekent dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag is beëindigd en dat de werknemer geen aanspraak meer maakt op doorbetaling van loon, maar niet ook dat de werknemer daarmee de juistheid van de door de werkgever opgegeven dringende reden erkent. Dit een en ander brengt mee dat de werknemer in beginsel, uitgaande van het hem gegeven ontslag, zich alsnog op het standpunt kan stellen dat sprake is van een onregelmatige en/of…

Terug naar overzicht