HR 08-02-2002 (Controls/GEC), RvdW 2002, 37, JOL 2002, 83


Concurrentiebeding (auteursrecht).

De arbeidsovereenkomst van een statutair directeur (A, 14 jaar in dienst) wordt met onmiddellijke ingang beëindigd en de werkgever laat beslag leggen op tekeningen onder het bedrijf (B) dat gevestigd is op het woonadres van de werknemer en waarvan zijn echtgenote statutair directeur is. De werkgever vordert onder meer van A en B staking van het openbaar maken respectievelijk aanbieden van deze tekeningen omdat zij daarmee inbreuk maken op zijn auteursrecht. De rechtbank is van oordeel dat de werkgever geen auteursrechtelijke bescherming geniet en dat de tekeningen geen geheime knowhow bevatten. De rechtbank draagt de werkgever op te bewijzen dat B zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke concurrentie en A wanprestatie heeft gepleegd door offertes te doen aan relaties van de werkgever, waardoor een order niet is doorgegaan. In hoger beroep van de werkgever oordeelt het hof dat er inderdaad sprake is van oneerlijke concurrentie en van wanprestatie van de werknemer. Voorts is het hof van oordeel dat het gaat om werktekeningen zonder eigen origineel karakter, die geen persoonlijke stempel van de maker dragen en zijn aan te merken als "andere geschriften" als bedoeld in de Auteurswet. De werkgever komt derhalve auteursrechtelijke bescherming toe. Daaraan doet niet af dat de tekeningen niet openbaar zijn gemaakt respectievelijk bestemd zijn om openbaar te worden gemaakt. De Hoge Raad stelt onder verwijzing naar zijn arrest van 25 juni 1965, NJ 1966, 116, dat geschriften zonder eigen of persoonlijk karakter slechts auteursrechtelijke bescherming toekomt indien zij openbaar gemaakt zijn of bestemd zijn om openbaar te worden gemaakt. Aangezien dit hier niet het geval is komt de werkgever geen auteursrechtelijke bescherming toe. Met betrekking tot het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep tegen het oordeel van het hof dat de tekeningen niet openbaar zijn gemaakt of bestemd zijn om openbaar te worden gemaakt, overweegt de Hoge Raad dat het incidenteel ter beschikking stellen van de tekeningen onder de verplichting tot geheimhouding, niet kan worden aangemerkt als het op enigerlei wijze ter beschikking stellen aan het publiek. Het oordeel van het hof geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt in het principale beroep het arrest, verwijst de zaak naar het Hof te Arnhem en verwerpt het incidentele beroep.

Terug naar overzicht