HR 08-02-2002 (Poelstra/Bettman), JOL 2002, 86, NJ 2002, 284


Arbeidstijd. CAO. Loon. Verjaring.

Op grond van de CAO voor het beroepsgoederenvervoer dient de werknemer zijn diensturen te registreren op een door de werkgever te verstrekken urenverantwoordingstaat. Na controle door de werkgever ontvangt de werknemer een ondertekend retourexemplaar, waarop staat dat de werknemer binnen 30 dagen bezwaar kan maken tegen de loonafrekening. In casu heeft de werkgever de urenstaat gecorrigeerd aan de hand van de tachograafschijven en in vergelijking met de urenstaten van andere werknemers en op basis van de gecorrigeerde uren uitbetaald. De werknemer heeft niet binnen 30 dagen na ontvangst bezwaar gemaakt doch vordert na einde arbeidsovereenkomst betaling van loon over de door hem opgegeven diensturen, die de werkgever niet heeft uitbetaald, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en de buitengewone incassokosten. De kantonrechter wijst de vordering grotendeels af en de rechtbank bekrachtigt de afwijzing. De werknemer gaat in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat de werkgever op grond van de CAO bij de loonberekening de urenstaten mag corrigeren aan de hand van tachograafschijven. Dat de werkgever in dit geval tevens gebruik gemaakt heeft van de gegevens van andere werknemers wil niet zeggen dat de werkgever is overgestapt op een ander stelsel van loonberekening, namelijk die op basis van een normeringsregeling, hetgeen op grond van de CAO alleen is toegestaan na instemming van de vakverenigingen en na overleg met de OR. Het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een normeringsregeling omdat de correcties mede zijn gebaseerd op de tachograafschijven is derhalve niet onjuist. Hoewel volgens de rechtbank de vermelding van de bezwarentermijn op de geretourneerde urenstaten moet worden gezien als een eenzijdig beding, kan volgens de rechtbank de werknemer geen beroep doen op de ongeldigheid wegens strijd met redelijkheid en billijkheid. Aldus oordelend heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf aangelegd. Afwijking van het uitgangspunt dat een beding slechts deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst indien door de werkgever en de werknemer overeengekomen, is niet gerechtvaardigd wanneer een beroep op de ongeldigheid van het beding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor dient het beroep in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te zijn. Uit de stukken blijkt echter niet dat de werkgever stellingen heeft aangevoerd die dit oordeel kunnen rechtvaardigen. De werkgever kan zich derhalve niet op het beding beroepen. De Hoge Raad vernietigt het (eind)vonnis en verwijst de zaak naar het hof.

Terug naar overzicht