HR 09-08-2002 (School/Dekker), RvdW 2002, 134, JOL 2002, 441, JAR 2002, 207


Gelijke behandeling. Onderwijs. Vakantie. Zwangerschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 207.

Een lerares in het beroepsonderwijs heeft de vraag gesteld of haar werkgever in strijd met art. 7:646 BW onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt door zwangerschap en bevalling gelijk te stellen met ziekte en haar geen compensatie te verschaffen voor de dagen waarin het zwangerschaps- en bevallingsverlof samenviel met de schoolvakantie. De werkgever heeft betwist dat er sprake is van verboden onderscheid. Hij heeft aangevoerd dat de toepasselijke CAO BVE met betrekking tot het onderwijsgevend personeel verwijst naar art. I-C2 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RpbO). Volgens de vakantieregeling in art. I-C2 RpbO heeft een leerkracht geen aanspraak op een vast aantal vakantieverlofdagen. Evenmin is er sprake van opbouw van vakantieverlofdagen. Ook overigens is de werkgever van mening dat van een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen geen sprake is. De rechtbank achtte in hoger beroep de vordering van de lerares toewijsbaar. In het door de werkgever ingestelde principaal cassatieberoep is onder meer aan de orde of art. I-C2 RpbO in de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is en of de uitleg van deze in de CAO BVE van toepassing verklaarde bepaling in cassatie op juistheid kan worden getoetst. De Hoge Raad overweegt dat het middel in het incidentele beroep slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de A-G: art. 7:636 BW gaat over het materiële recht op vakantieverlof. Wanneer de werknemer recht heeft op een bepaald aantal dagen vakantieverlof per jaar - dat kan zijn: het wettelijk minimum van art. 7:634 BW óf een groter aantal dagen dat bij collectieve arbeidsovereenkomst dan wel individueel is overeengekomen -, geldt de regel van art. 7:636 BW. Dagen waarop de werkneemster de overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens zwangerschapsof bevallingsverlof (in casu 13 dagen) konden ingevolge art. 7:636 BW (oud) slechts met instemming van de werkneemster door de werkgever worden aangemerkt als vakantie. Die instemming is niet verkregen. Ingevolge art. 7:645 BW mag van art. 7:636 BW (oud) niet worden afgeweken, zelfs niet bij CAO. In het principale beroep overweegt de Hoge Raad het volgende. Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal moet worden geoordeeld dat art. I-C2 RpbO in de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is en dat de uitleg van deze in de CAO BVE van toepassing verklaarde bepaling in cassatie op juistheid kan worden getoetst (zie HR 15-06-1984, NJ 1984, 682).

Verder lezen
Terug naar overzicht