HR 10-01-2003 (Van Ravenswade/ING), JOL 2003, 18, NJ 2003, 231, JAR 2003, 39


Bewijs. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 39.

In een ontbindingsprocedure heeft de kantonrechter bij tussenbeschikking de werkgever in de gelegenheid gesteld een tegenrapport in het geding te brengen, ter neutralisering van een eerder door de bank uitgebracht rapport omtrent het declaratiegedrag van de werknemer, bij gebreke waarvan in de aan de werknemer toe te kennen ontbindingsvergoeding rekening zou worden gehouden met de alsdan aan de bank toe te rekenen beschadiging van de carrièrekansen van de werknemer. De kantonrechter gaf daarbij te kennen dat, indien een deugdelijk tegenrapport zou worden overgelegd, de vergoeding zou worden bepaald op zes maanden salaris. De werkgever heeft een tegenrapport overgelegd. Daaromtrent heeft de kantonrechter overwogen dat het niet geheel voldeed aan de daaraan bij de tussenbeschikking gestelde eisen en hij heeft vervolgens de ontbindingsvergoeding op ongeveer acht maanden salaris bepaald. De werknemer vordert in de onderhavige procedure vergoeding van schade, stellende dat de werkgever zich jegens hem niet als goed werkgever heeft gedragen. In hoger beroep heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat de werknemer slechts de door hem in de ontbindingsprocedure naar voren gebrachte en door de kantonrechter meegewogen stellingen heeft herhaald. De door de werknemer gestelde schade als gevolg van de beschadiging van zijn carrière is volgens de rechtbank reeds in de vergoeding begrepen. De Hoge Raad overweegt dat bij de beoordeling van het onderdeel het volgende voorop moet worden gesteld. De bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst brengt mee dat in de regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zoals neergelegd in art. 7:685 BW, het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid (of aan hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten) in beginsel ten volle, onder meeweging van alle voor zijn oordeel relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op de voet van art. 7:685 BW met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, zodat daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is (HR 02-11-2001, Elverding/Wienholts, RvdW 2001, 172, JOL 2001, 602, NJ 2001, 676, JAR 2001, 255, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 189). De klacht dat de rechtbank heeft miskend dat de rechter in een op de ontbindingsprocedure volgende procedure in ieder geval heeft te oordelen over feiten en omstandigheden die, omdat zij in de ontbindingsprocedure niet naar voren zijn (hadden kunnen worden) gebracht, niet door de kantonrechter in de beoordeling zijn betrokken, faalt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de werknemer in de onderhavige procedure…

Terug naar overzicht