HR 10-10-2003 (Van der Male/Den Hoedt), JOL 2003, 513, JAR 2003, 263


Dienstbetrekking echtpaar. Gezagsverhouding. Loon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 263.

De vrouw heeft na de echtscheiding een schriftelijke overeenkomst gesloten met een B.V. waarvan de man aandeelhouder en bestuurder is. Dit is als alternatief voor betaling van alimentatie door de man aan de vrouw geschied. De schriftelijke overeenkomst wordt in de kop aangeduid als arbeidsovereenkomst. Deze overeenkomst bepaalde dat de werkneemster met ingang van 1 januari 1995 bij de werkgever als administratief medewerkster in dienst zal treden tegen een vastgesteld bruto-salaris per maand, voor een 15-urige werkweek, betaalbaar op de laatste werkdag van elke maand, dat de dienstbetrekking wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en bevatte tevens een bepaling ter zake van vakantiegeld. De vrouw is door de B.V. van het begin af aan vrijgesteld van arbeid en heeft nimmer feitelijk de werkzaamheden verricht zoals in de overeenkomst voorzien. Aanvankelijk is maandelijks salaris betaald, maar op een gegeven moment heeft de B.V. de salarisbetaling stopgezet omdat de vrouw een economische eenheid zou vormen met haar nieuwe partner. De vrouw heeft vervolgens betaling van salaris gevorderd. Het hof heeft geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en heeft de vordering van de vrouw toegewezen. De B.V. komt van dit oordeel in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat het hof ten onrechte de tekst van de schriftelijke "arbeidsovereenkomst" doorslaggevend heeft geacht voor de conclusie dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Bij het vaststellen van de overeengekomen verplichtingen moet immers op alle omstandigheden van het geval gelet worden en niet alleen op de schriftelijke tekst van de overeenkomst. In dit geval moet ervan worden uitgegaan, zoals het hof ook heeft vastgesteld, dat partijen nooit de bedoeling hebben gehad aan de schriftelijke overeenkomst uitvoering te geven in dier voege dat de vrouw werkzaamheden zou gaan verrichten voor de B.V. en staat eveneens vast dat de vrouw nimmer werkzaamheden heeft verricht. De overeenkomst had klaarblijkelijk geen andere strekking dan aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te verschaffen. Derhalve bevat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet de verplichting tot het verrichten van arbeid en behelst zij evenmin het element van de gezagsverhouding, zodat de overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst kan worden getypeerd.

Terug naar overzicht