HR 11-01-2002 (Van den Ameele/Buyck), RvdW 2002, 15, JOL 2002, 11


Matiging loonvordering.

De kantonrechter verklaart voor recht dat tussen de werkgever en de werkneemster een arbeidsovereenkomst bestaat en veroordeelt de werkgever tot betaling van loon, vakantietoeslag en vergoeding niet genoten vakantiedagen, op te maken bij staat en vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. In de schadestaatprocedure gaat het om de vraag of de beslissing in de hoofdprocedure matiging van de loonvordering in de schadestaatprocedure in de weg staat. De kantonrechter vindt van niet en matigt de loonvordering tot de periode van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993, verminderd met het ziekengeld en vermeerderd met een wettelijke verhoging van 10%. De rechtbank acht matiging van de loonvordering terecht nu de werkneemster in het geheel geen arbeid voor de werkgever heeft verricht. Echter verdere matiging dan tot aan de datum van het vonnis van de kantonrechter in de hoofdzaak is volgens de rechtbank niet mogelijk. In cassatie overweegt de Hoge Raad dat de kantonrechter in de hoofdzaak een beslissing heeft gegeven over de gegrondheid van de loonvordering. In de schadestaatprocedure waren de kantonrechter en de rechtbank hieraan gebonden. Voor de vraag in hoeverre de rechter bevoegd was de vordering te matigen, is beslissend of de kantonrechter een uitspraak heeft gedaan over de mogelijkheid van matiging en over de omvang. Door te concluderen dat de kantonrechter in de hoofdprocedure heeft vastgesteld dat de werkgever verplicht was loon door te betalen en daarmee de omvang heeft vastgesteld, heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting respectievelijk zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het hof.

Terug naar overzicht