HR 12-09-2003 (Peters/Hofkens), RvdW 2003, 142, JOL 2003, 430, JAR 2003, 242


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 242.

Bij het verrichten van haar gebruikelijke schoonmaakwerkzaamheden verliest een werkneemster haar evenwicht en verwondt de wijsvinger van de hand waarmee zij aan het schoonmaken was. Nadien is een posttraumatische dystrofie ontstaan. In deze procedure vordert zij schadevergoeding, waartoe zij onder meer aanvoert dat de werkgever de in art. 7:658 neergelegde zorgplicht heeft geschonden doordat in zijn bedrijf geen bijgewerkte en geëvalueerde risico-inventarisatie als bedoeld in art. 4 Arbeidsomstandighedenwet (oud) aanwezig was. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. De Hoge Raad overweegt dat met art. 7:658 lid 1 BW niet is beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Deze bepaling heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt (zie HR 10-06-1983, NJ 1984, 20; HR 04-10-2002, Laudy/Fair Play, JOL 2002, 514, JAR 2002, 259, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 38). In de overweging van de rechtbank dat uit de door de werkneemster gestelde toedracht van het ongeval niet valt af te leiden dat zij voor een gevaarlijke wijze van uitvoering van de werkzaamheden heeft gekozen, ligt besloten dat de werkgever wat betreft de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden jegens de werkneemster niet is tekortgeschoten in de op hem krachtens art. 7:658 lid 1 BW rustende zorgplicht door in zoverre geen instructies te geven, maatregelen te treffen of toezicht te houden. Anders dan het middel betoogt, is het afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de in art. 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht meebrengt dat een werkgever vooraf een inventarisatie van de veiligheidsrisico's dient te maken betreffende het werk waarvoor hij zijn werknemer inzet en of de werkgever een interne regeling dient te hebben die ertoe strekt de werknemers duidelijk te maken op welke wijze in hun werk onveilige situaties vermeden kunnen en moeten worden en op welke wijze veiligheidsrisico's moeten worden bepaald (zie HR 16-05-2003, Dusarduyn/De Puy, RvdW 2003, 94, JOL 2003, 277, JAR 2003, 147). De klacht dat art. 7:658 lid 1 BW geen causaal verband vereist tussen de door de werkgever redelijkerwijs te treffen veiligheidsmaatregelen en het ongeval dat tot de schade heeft geleid, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Al aangenomen dat het ontbreken van een bijgewerkte en geëvalueerde risico-inventarisatie in de zin van art. 4 Arbeidsomstandighedenwet…

Terug naar overzicht