HR 12-09-2003 (Roodzant/M&B), RvdW 2003, 143, JOL 2003, 434, NJ 2003, 604, JAR 2003, 243


Bewijs. Vakantie. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 243.

Een voormalig werknemer vordert van de ex-werkgever betaling van achterstallig salaris en niet-genoten vakantiedagen. De werkgever heeft zich onder meer op rechtsverwerking beroepen. De rechtbank heeft overwogen dat van rechtsverwerking sprake is wanneer de werknemer de kwestie van de niet-genoten vakantiedagen tijdens zijn dienstverband nimmer bij de werkgever ter sprake heeft gebracht en de werkgever op grond hiervan mocht vertrouwen dat de werknemer in deze geen rechten geldend zou maken. De rechtbank heeft de werknemer toegelaten te bewijzen dat hij de kwestie van de verhoging van zijn salaris en de kwestie van de niet-genoten vakantiedagen tijdens zijn dienstverband bij de werkgever voorafgaand aan de datum van de dagvaarding ter sprake heeft gebracht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van de werkgever ligt om aan te geven wanneer de werknemer zijn 25 vakantiedagen per jaar heeft opgenomen en dat, nu de werkgever dit heeft nagelaten, aan zijn betwisting van het door de werknemer gestelde aantal niet-genoten vakantiedagen voorbij moet worden gegaan. De Hoge Raad overweegt dat bij de beoordeling van het middel dat gericht is tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de niet-genoten vakantiedagen moet worden vooropgesteld dat de werknemer het door hem gestelde tegoed aan vakantiedagen zal moeten bewijzen indien de werkgever voldoende gemotiveerd betwist heeft dat aan de werknemer nog vakantiedagen toekomen. In verband met het bepaalde in art. 7:641 lid 2 BW, waarin ervan wordt uitgegaan dat de werkgever verplicht is administratie bij te houden van de door de werknemer genoten vakantiedagen, zal de werkgever in beginsel zijn betwisting mede moeten motiveren aan de hand van de uit deze administratie blijkende gegevens die dan ook door de werkgever in het geding moeten worden gebracht. De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat de werkgever zijn betwisting van de stelling van de werknemer dat hij nog een aantal vakantiedagen tegoed had, niet – in overeenstemming met hetgeen hiervóór is overwogen – voldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarbij heeft de rechtbank echter miskend dat ook van een voldoende motivering van deze betwisting sprake kan zijn indien concrete omstandigheden worden gesteld waaruit kan volgen dat de werkgever niet over gegevens kán beschikken met betrekking tot het aantal opgenomen vakantiedagen in verband met de wijze waarop partijen aan de arbeidsovereenkomst invulling hebben gegeven. In het onderhavige geval staat tussen partijen vast dat de werkgever speciaal was opgericht om de werknemer in staat te stellen activiteiten te ontplooien op het gebied van de meubelimport en is aangevoerd dat de werknemer, die vaak in het buitenland verbleef, deze activiteiten met een grote mate van zelfstandigheid mocht uitvoeren en ook uitvoerde, zonder dat hij een urenverantwoording behoefde af te leggen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, …

Terug naar overzicht