HR 13-09-2002 (Da Silva/Heineken), RvdW 2002, 136, JOL 2002, 450, NJ 2002, 496, JAR 2002, 247


Matiging loonvordering.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 247.

De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met de werknemer met ingang van 1 april 1995 opgezegd. Bij dagvaarding van 27 oktober 1995, heeft de werknemer een vordering ingesteld strekkende tot onder meer een verklaring voor recht dat het dienstverband voortduurt en tot doorbetaling van loon vanaf 1 april 1995. De rechtbank oordeelt in hoger beroep dat de dienstbetrekking na 1 april 1995 is blijven bestaan. De rechtbank matigt ambtshalve de loonvordering in tijd, van 1 april 1995 tot 1 januari 1997. Deze matiging grondt de rechtbank op de omstandigheden dat de werknemer de werkgever eerst bij dagvaarding van 27 oktober 1995 heeft gedagvaard en dat de werknemer geen voorlopige voorziening heeft gevraagd. De rechtbank baseert de matiging tevens op de lange tijdsduur tussen die inleidende dagvaarding van 27 oktober 1995 en haar uitspraak van 7 januari 1998. De Hoge Raad stelt voorop dat, naar zijn vaste rechtspraak, de rechter bevoegd is een vordering tot doorbetaling van loon te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Bij zijn oordeel in hoeverre aan dit vereiste is voldaan, dient de rechter een mate van terughoudendheid te betrachten die met deze maatstaf strookt, en daarvan in zijn motivering te doen blijken. Gegeven enerzijds de voor de werknemer op het spel staande belangen en anderzijds de mate waarin de wederzijdse raadslieden en de rechter invloed kunnen uitoefenen op de duur van het geding, zijn noch die duur, noch de mate waarin deze is toe te rekenen aan de werknemer, in beginsel omstandigheden die matiging als hier bedoeld kunnen rechtvaardigen. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan zulks anders zijn, met name indien de feiten geen andere conclusie toelaten dan dat de werknemer de procedure welbewust heeft trachten te rekken en daarmee succes heeft gehad (HR 30-10-1998, Öztürk/VBS, RvdW 1998, 200, NJ 1999, 268, JAR 1999, 11, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 183). Met het oordeel omtrent de loonmatiging heeft de rechtbank derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voorzover zij heeft geoordeeld dat in de lange tijdsduur tussen de inleidende dagvaarding en haar vonnis gronden voor matiging zijn gelegen. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is voorts het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat de werknemer de werkgever na ongeveer een half jaar heeft gedagvaard en geen voorlopige voorziening heeft gevraagd, tot matiging zou dienen te leiden, onbegrijpelijk. Dit geldt ook indien de rechtbank voor ogen zou hebben gestaan, dat voor dit oordeel mede haar overweging over de lange tijdsduur tussen de inleidende dagvaarding en haar vonnis dragend is.

Terug naar overzicht