HR 13-09-2002 (Grady/Stogon), JOL 2002, 451


CAO. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

De arbeidsovereenkomst van een projectleider (vier jaar in dienst, salaris NLG 9.469,-- bruto per maand) wordt ontbonden wegens opheffing van de arbeidsplaats en het niet voorhanden zijn van een andere passende functie. De kantonrechter kent geen vergoeding toe omdat hij er van uit gaat dat op de werkneemster de CAO voor zorgverzekeraars en het daarop gebaseerde sociaal statuut van toepassing is en de werkneemster in aanmerking komt voor een wachtgeldregeling. De werkneemster vecht tevergeefs de beschikking aan (zie HR 20-03-1998, RvdW 1998, 72, NJ 1998, 815, JAR 1998, 127, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 64). Zij vordert dat de kantonrechter de CAO voor zorgverzekeraars van toepassing verklaart en subsidiair dat de werkgever gehouden is het sociaal plan toe te passen. De werkgever stelt niet onder de in de CAO genoemde definitie van werkgever te vallen. De werkneemster wijzigt haar vordering en vordert één jaarsalaris en kosten outplacement, evenals vergoeding van het verlies aan pensioenjaren. De kantonrechter acht de werkneemster niet geslaagd in het bewijs van de toepasselijkheid van het sociaal plan en wijst de vordering af. De rechtbank overweegt dat de werkgever heeft toegezegd dat met de werkneemster een regeling zou worden getroffen in de geest van het sociaal plan. Uit niets blijkt echter dat de kantonrechter daarmee rekening heeft gehouden, temeer daar de kantonrechter geen vergoeding heeft toegekend. Na tussenvonnis waarin de werkneemster in de gelegenheid wordt gesteld de berekening van haar schade over te leggen, bekrachtigt de rechtbank het vonnis van de kantonrechter. De werkneemster gaat in cassatie. Het OM stelt dat het oordeel van de rechtbank dat bij de ontbindingsbeschikking geen vergoeding is toegekend omdat de werkneemster op grond van het sociaal plan wachtgeld zou ontvangen en dat zij om die reden vergoeding van schade vordert die bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding in de ontbindingsprocedure aan de orde is geweest, niet getuigt (gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad) van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Omdat de werkgever de toezegging niet is nagekomen komt het dus aan op de vaststelling van de schade van de werkneemster. Het gaat dan om schade die niet is overwogen door de kantonrechter in de ontbindingsprocedure. De klacht dat de rechtbank hiermee een nadere voorwaarde heeft toegevoegd en daarmee terugkomt op zijn beslissing in het tussenvonnis voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv (omschrijving van de middelen) en mist feitelijke grondslag. De klacht dat de rechtbank ten onrechte de rechten die de werkneemster uit hoofde van het sociaal plan zou hebben heeft geschaard onder de rechten uit hoofde van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst faalt. Het gaat hier namelijk niet om een vordering tot nakoming…

Terug naar overzicht