HR 13-09-2002 (Hoek/Bpf), JOL 2002, 455, JAR 2002, 248


CAO. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 248.

Het bedrijfspensioenfonds voor de Zeevisserij (Bpf) vordert voor recht te verklaren dat de werknemers van Hoek verplicht zijn aangesloten bij het Bpf. Art. 21 van de (niet algemeen verbindend verklaarde) CAO bepaalt ten aanzien van het Bpf dat de onder deze CAO vallende werknemers zijn aangesloten bij het Bpf en dat de voor de opbouw van dit fonds verschuldigde premie door de werkgever wordt betaald, doch voor de helft op het loon van de werknemers wordt ingehouden. De rechtbank heeft in hoger beroep voor recht verklaard dat de werknemers van Hoek verplicht zijn aangesloten bij het Bpf, alsmede Hoek veroordeeld om een bedrag aan achterstallige pensioenpremies te voldoen. Daarbij heeft de rechtbank verworpen het verweer van Hoek dat het Bpf geen vorderingsrecht op hem heeft. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat art. 21 CAO voor het bedrijfspensioenfonds het recht schept de verschuldigde premie te vorderen, nu in dat artikel ondermeer is bepaald dat de werkgever de voor de opbouw van het bedrijfspensioenfonds verschuldigde premie betaalt. De Hoge Raad overweegt dat niet voor het eerst in cassatie het verweer kan worden gevoerd dat het bedrijfspensioenfonds in redelijkheid geen afdracht van premie kan verlangen nu de ongebonden werknemers niet bereid zijn aan de opbouw van een pensioen hun medewerking te verlenen door de werkgever toe te staan - conform art. 21 CAO - de helft van de voor de opbouw van het pensioen verschuldigde premie op hun loon in te houden.

Verder lezen
Terug naar overzicht