HR 13-12-2002 (CPS/X), JOL 2002, 679


CAO.

(Antilliaanse zaak). De concubine van een overleden werknemer vordert op grond van de CAO een overlijdensuitkering van de werkgever. Het Gerecht in Eerste Aanleg wijst de vordering af, omdat de aanvullende verzekeringspolis van de CAO geen enkele begunstigde noemt en de overlijdensuitkering dus aan de erfgenamen toekomt. De concubine gaat in hoger beroep, stellende dat zij op grond van de CAO als een aanverwant moet worden beschouwd omdat het de bedoeling van de CAO-partijen is geweest een samenwonende partner gelijk te stellen met de echtgenoot. Het Gem. Hof NA en Aruba stelt voorop dat voor de uitleg van een CAO het in beginsel aankomt op de bewoordingen van de CAO-bepalingen gelezen in het licht van de gehele CAO. Indien grammaticale uitleg op grond van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbaar oordeel zou leiden, kan een beroep worden gedaan op de bedoeling van partijen. Het Hof is van oordeel dat de concubine op grond van de CAO moet worden beschouwd als nabestaande die recht heeft op de overlijdensuitkering. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 17-09-1993, RvdW 1993, 177, NJ 1994, 173, JAR 1993, 234, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1993, blz. 49 en HR 31-05-2002, De Heel/Huisman c.s., RvdW 2002, 91, JOL 2002, 313, JAR 2002, 153, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 97) stelt het OM dat het Hof is uitgegaan van de juiste juridische maatstaf voor de uitleg van een CAO. Bovendien is de beoordeling vooral van feitelijke aard en dus grotendeels aan toetsing in cassatie onttrokken. Het OM acht het oordeel van het Hof begrijpelijk aangezien doel en strekking van de CAO-regeling is de nabestaanden een tegemoetkoming in levensonderhoud te geven, de concubine tot de nabestaanden behoort en er geen minderjarige kinderen waren. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt deze conclusie zonder nadere motivering op grond van art. 81 Wet RO.

Verder lezen
Terug naar overzicht