HR 13-12-2002 (X/Hogeschool), JOL 2002, 682


Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling. Schorsing.

Voordat de twee keer verlengde arbeidsovereenkomst voor één jaar van een adjunct-directeur van een hogeschool wordt beëindigd, wordt zij met onmiddellijke ingang geschorst. De kantonrechter acht het ontslag kennelijk onredelijk en kent een vergoeding toe van NLG 129.064,-- bruto. De rechtbank vernietigt het vonnis en kent een vergoeding toe van NLG 40.000,--, aangezien niet het ontslag, doch wel de wijze waarop gegeven kennelijk onredelijk is. De Commissie van Beroep acht het beroep tegen de schorsing gegrond. De werkneemster, die nooit meer een baan heeft kunnen vinden, vordert vervolgens bij de rechtbank een verklaring voor recht en een schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen van de hogeschool. De kantonrechter oordeelt de schorsing onrechtmatig en veroordeelt de hogeschool tot betaling van NLG 1.000,-- smartengeld. De werkneemster gaat in hoger beroep. De rechtbank vernietigt het vonnis en wijst de vordering af. In cassatie overweegt het OM dat indien de werkneemster stelt dat de schorsing op zichzelf heeft bijgedragen tot het voortduren van de werkloosheid, zij haar stellingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Van de werkneemster had mogen worden verwachten dat zij feiten en omstandigheden zou hebben aangevoerd waaruit haar schade blijkt, temeer daarna reeds geruime tijd is verstreken. Het oordeel van de rechtbank acht het OM niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Terecht heeft de rechtbank verlangd de schade als gevolg van de onredelijke schorsing te onderscheiden van de schade als gevolg van het kennelijke onredelijke ontslag. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt deze conclusie zonder nadere motivering op grond van art. 81 Wet RO.

Terug naar overzicht