HR 14-03-2003 (Lypack/Tolsma), RvdW 2003, 51, JOL 2003, 156, JAR 2003, 90


RDA-/CWI-vergunning.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 90.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de RDA, nadat hij op de voet van art. 6 BBA (onvoorwaardelijk) toestemming had verleend tot opzegging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen en de werkgever met gebruikmaking van die toestemming de arbeidsovereenkomst had opgezegd, aan de reeds verleende toestemming alsnog de "wederindiensttredingsvoorwaarde" kon verbinden. Deze voorwaarde houdt in dat de werkgever gedurende zekere tijd alleen werkne(e)m(st)ers in dienst zal nemen voor het verrichten van arbeid van dezelfde aard nadat hij zijn (ex-)werknemer in de gelegenheid zal hebben gesteld zijn/haar vroegere werkzaamheden te hervatten. De Hoge Raad stelt bij de beantwoording van die vraag het volgende voorop. Art. 6 BBA strekt ertoe in het belang zowel van de betrokken werknemer als van de Nederlandse arbeidsmarkt sociaal ongerechtvaardigd ontslag te voorkomen; een voorwaarde als de onderhavige strekt tot behartiging van deze belangen en mag aan de verleende toestemming worden verbonden (vgl. HR 03-05-1991, NJ 1991, 705). Het in deze zaak toepasselijke Ontslagbesluit 1998 bepaalt in art. 2:7 lid 2 dat aan de beslissing tot het verlenen van toestemming geen andere voorwaarden kunnen worden verbonden dan in art. 4:5 genoemd. Dit laatste artikel houdt in dat, indien de RDA toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding wegens bedrijfseconomische redenen verleent, hij aan zijn toestemming, kort gezegd, de wederindiensttredingsvoorwaarde kan verbinden. Het Ontslagbesluit 1998 geeft geen antwoord op de vraag of die voorwaarde slechts dadelijk bij de toestemming, of ook nog op een later tijdstip kan worden gesteld. Bij het vinden van een antwoord op deze vraag dient aansluiting te worden gezocht bij het (algemene) bestuursrecht. De beslissing van de RDA tot het geven van toestemming tot ontslag en de afzonderlijke beslissing tot het alsnog daaraan verbinden van de wederindiensttredingsvoorwaarde zijn immers beschikkingen in de zin van art. 1:3 lid 2 Awb, en wel beschikkingen waarbij een vergunning wordt verleend respectievelijk aan een verleende vergunning alsnog een voorwaarde wordt verbonden. Daaraan staat niet in de weg dat tegen deze beschikkingen ingevolge art. 8:5 Awb in verbinding met de bij deze wet behorende zogenoemde "negatieve lijst" geen beroep kan worden ingesteld. Overigens bevat de Awb zelf geen rechtstreeks antwoord op de hier besproken vraag. In het licht van de in het (algemene) bestuursrecht geldende regels en gelet op de aard van beschikkingen als de onderhavige dient hier het volgende tot uitgangspunt te worden genomen. De RDA heeft de vrijheid aan de toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding wegens bedrijfseconomische redenen al dan niet de wederindiensttredingsvoorwaarde te verbinden. De…

Terug naar overzicht