HR 14-06-2002 (Ödev/Cartik), JOL 2002, 343, JAR 2002, 166


CAO (Algemeen verbindend verklaarde). Loon. Wettelijke verhoging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 166.

De werknemer heeft de werkgever aangesproken tot betaling van onbetaald gebleven loon met de wettelijke verhoging in verband met wanbetaling. In hoger beroep heeft de rechtbank in haar tussenvonnis geoordeeld dat de wettelijke verhoging dient te worden berekend over het salaris dat de werknemer toekomt minus hetgeen door de werkgever reeds bij wijze van betaling van salaris aan de werknemer is voldaan. Het middel bestrijdt de wijze waarop de rechtbank de wettelijke verhoging heeft berekend met het volgende betoog. De kantonrechter heeft een bedrag aan wettelijke verhoging toegewezen, berekend over het gehele bruto-bedrag van het aan de werknemer toekomend loon. Hij heeft voorts een aftrek toegelaten van hetgeen feitelijk netto is betaald. Dit is in strijd met het systeem van art. 7:625 BW. De rechtbank geeft in het tussenvonnis aan dat de wijze van berekening van de kantonrechter onjuist is, maar verbindt daar ten onrechte geen consequenties aan in het eindvonnis, waarin immers de uitspraak van de kantonrechter wordt bekrachtigd. De Hoge Raad overweegt dat het middel uitgaat van de juiste rechtsopvatting (eveneens neergelegd in het tussenvonnis van de rechtbank) dat voor de berekeningsgrondslag voor de wettelijke verhoging op het in totaal verschuldigde loon in mindering moet worden gebracht wat op het loon als voorschot is betaald.

Terug naar overzicht