HR 14-12-2001 (Bouwkamp/Van Dijke), JOL 2001, 754, NJ 2002, 59, JAR 2002, 18


Concurrentiebeding. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 18.

Tussen de werkgever en de werknemer is een concurrentiebeding overeengekomen, waarin is opgenomen dat het geen toepassing vindt bij gegeven ontslag aan de werknemer, tenzij dit ontslag op de één of andere wijze door de werknemer is uitgelokt. De arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer wordt op beider verzoek ontbonden onder toekenning van een vergoeding. Bij de vaststelling van die vergoeding heeft de kantonrechter mede "rekening gehouden" met de effecten van het concurrentiebeding. In de onderhavige procedure heeft de werknemer een verklaring voor recht gevorderd dat hij niet aan het concurrentiebeding is gebonden. Subsidiair en meer subsidiair heeft de werknemer gevorderd het beding geheel of gedeeltelijk te vernietigen, althans de boete te matigen, althans hem een vergoeding toe te kennen. De kantonrechter heeft de verklaring voor recht en de gehele vernietiging geweigerd en het beding in duur en geografische omvang beperkt. De rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter - kort gezegd - bekrachtigd. Daartoe overwoog zij onder meer dat de werknemer, door zijn hoger uitgevallen ontbindingsvergoeding te accepteren, zich niet meer kan beroepen op het niet van toepassing zijn van het concurrentiebeding en zijn beroep op de in het beding geformuleerde uitzondering geen bespreking behoeft. Het middel bestrijdt dit oordeel. De Hoge Raad stelt voorop dat het hier aan de orde zijnde betoog van de werknemer niet anders kan worden opgevat dan dat hij zich erop beroept dat hij, ingevolge hetgeen tussen partijen is overeengekomen, niet aan het concurrentiebeding is gebonden. Van een onjuiste rechtsopvatting heeft de rechtbank blijk gegeven indien zij mocht hebben geoordeeld dat voor het oordeel dat de werknemer geen beroep erop kan doen dat het concurrentiebeding niet van toepassing is, voldoende is dat zulks voortvloeit uit hetgeen de redelijkheid eist. Aldus oordelende zou de rechtbank hebben miskend dat het voor het op de voet van art. 6:248 lid 2 BW buiten toepassing laten van een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet voldoende is dat zulks voortvloeit uit hetgeen de redelijkheid eist, maar dat zodanige regel slechts dan niet van toepassing is voorzover de toepassing ervan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Mocht de rechtbank zulks niet hebben miskend, dan is haar oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk. De rechtbank heeft in dit geval met de door haar gebezigde motivering immers geen inzicht gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot haar oordeel dat aanvaarding van het beroep van de werknemer op het niet van toepassing zijn van het concurrentiebeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Terug naar overzicht