HR 19-04-2002 (El Boutaybi/Esveha), JOL 2002, 245, JAR 2002, 117


Kennelijk onredelijk ontslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 117.

(Zie voorgeschiedenis HR 20-02-1998, NJ 1998, 444, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 153). Een werkgever verplaatst de werkzaamheden van één van zijn vestigingen naar een andere vestiging. Een 45-jarige magazijnmedewerker (17 jaar in dienst, salaris NLG 2.109,37 netto per maand) krijgt een vervangende baan aangeboden met een verhuisplicht. De werknemer wil niet verhuizen en weigert het aanbod. Met toestemming van het Centraal Bureau voor de Grafische Bedrijven wordt de werknemer vervolgens ontslagen. Deze acht het ontslag kennelijk onredelijk en vordert primair herstel dienstbetrekking en doorbetaling van loon en subsidiair een schadevergoeding. De kantonrechter wijst de vordering af in tegenstelling tot de rechtbank die een vergoeding toekent van negen maanden salaris. De rechtbank overweegt onder meer dat de werknemer vier maanden geen werk heeft verricht en wel salaris heeft ontvangen. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank omdat aan de beslissing feiten ten grondslag zijn gelegd, die niet door partijen gesteld zijn, en verwijst de zaak naar het hof. Het hof acht gezien de omstandigheden een schadevergoeding van negen maanden salaris redelijk. Daarbij acht het hof tenslotte nog van belang dat gesteld noch gebleken is dat de werknemer duidelijk heeft aangegeven dat hij bereid was in de andere vestiging te gaan werken als hij maar niet verplicht was te verhuizen. De werknemer gaat wederom in cassatie omdat het hof door deze stelling de kern van de discussie miskent. De Hoge Raad is het hiermee eens. Onherroepelijk was beslist dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat de werkgever de werknemer ten onrechte een verhuisplicht had voorgehouden, terwijl duidelijk was dat zijn weigering om in de andere vestiging te gaan werken verband hield met zijn wens om niet te verhuizen. Het hof had derhalve niet meer de vrijheid om bij het vaststellen van de vergoeding ten nadele van de werknemer rekening te houden met de omstandigheid dat de werknemer niet duidelijk zou hebben aangegeven dat hij zonder verhuisplicht wel bereid zou zijn geweest te gaan werken in de andere vestiging. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het Hof Amsterdam.

Terug naar overzicht