HR 19-09-2003 (Marks/Ziekenhuis), RvdW 2003, 146, JOL 2003, 441, JAR 2003, 244


Pensioen. VUT. Wederzijds goedvinden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 244.

De werkgever sluit in augustus 1994 met een oudere werknemer, na een dienstverband van meer dan twintig jaren, in het kader van een reorganisatie een overeenkomst tot beëindiging van het dienstverband. De werkgever heeft hem medegedeeld, onder verwijzing naar een brochure getiteld "Pensioen en Ontslag" van november 1992, dat de mogelijkheid bestond tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw tot het 60e levensjaar van de werknemer, waarna hij gebruik kon maken van de OBU. De verbeterde brochure van 1994, waaruit bleek dat de beoogde pensioenopbouw niet mogelijk zou zijn, was ten tijde van het overleg reeds beschikbaar. Toen vrijwillige pensioenopbouw niet mogelijk bleek, sprak de werknemer de werkgever aan op grond van dwaling. De rechtbank oordeelde dat de dwaling voor rekening van de werknemer kwam. De Hoge Raad overweegt dat degene die overweegt een overeenkomst aan te gaan, tegenover de wederpartij gehouden is om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft, doch deze gehoudenheid gaat niet zover dat hij niet zou mogen afgaan op de juistheid van door deze wederpartij gedane mededelingen. De onjuistheid van dergelijke mededelingen rechtvaardigt in beginsel een beroep op dwaling, maar de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te blijven (art. 6:228 lid 2 BW). Gelet op de belangen die voor de werknemer – naar voor de werkgever kenbaar was – op het spel stonden, bracht de zorgvuldigheid die de werkgever, onder de omstandigheden van het onderhavige geval in acht behoorde te nemen tegenover de werknemer, een oudere werknemer met wie een overeenkomst ter beëindiging van een langdurig dienstverband zou worden gesloten, mee dat het geen mededelingen aan de werknemer deed omtrent een voor hem bestaande mogelijkheid tot toekomstige pensioenopbouw zonder zich van de juistheid van die mededelingen te overtuigen. In het licht daarvan heeft de rechtbank onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtengang die heeft geleid tot het oordeel dat de dwaling voor rekening van de werknemer behoort te komen.

Terug naar overzicht