HR 20-06-2003 (Wickel/Klene), RvdW 2003, 114, JOL 2003, 334, NJ 2003, 523, JAR 2003, 179


Ontslag op staande voet.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 179.

Een werknemer is herhaaldelijk door zijn werkgever gewaarschuwd zich in het vervolg te houden aan bedrijfsregels inzake pauzetijden en roken op het werk. Na een nieuwe overtreding wordt hij op staande voet ontslagen. In cassatie gaat het om de vraag of de laatste overtreding van de huisregels, gelet op de voorgeschiedenis en de voorafgaande waarschuwingen, een dringende reden oplevert en om de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan door de werknemer genoemde (persoonlijke) omstandigheden. De Hoge Raad overweegt het volgende. Uitgangspunt moet zijn dat een bij herhaling niet voldoen door een werknemer aan een op zichzelf redelijke opdracht van de werkgever, in beginsel een dringende reden oplevert. Gelet op de vaststelling van de rechtbank dat de werkgever zich bij zijn productie dient te houden aan strenge voorschriften op het gebied van hygiëne en procesorganisatie en dat hij daarom belang heeft bij naleving van de huisregels en op de vaststelling dat de werknemer de huisregels ondanks waarschuwingen herhaaldelijk heeft overtreden en geen blijk heeft gegeven zijn gedrag te willen verbeteren, getuigt het oordeel van de rechtbank dat de laatste overtreding het gewicht van een dringende reden heeft gekregen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Bij de beoordeling van de vraag, of van een dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in het oordeel te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden, dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (zie HR 21-01-2000, P/Hema, RvdW 2000, 26, JOL 2000, 35, NJ 2000, 190, JAR 2000, 45, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 315). De rechtbank is klaarblijkelijk van deze regel uitgegaan. Hij heeft immers onder ogen gezien, dat de gevolgen van het ontslag voor de werknemer zeer ernstig zijn. Hij mocht voor zijn oordeel, dat in de gegeven omstandigheden desondanks een dringende reden moet worden aangenomen, doorslaggevend achten de door hem vastgestelde onverminderd onverschillige en weigerachtige houding van de werknemer ten aanzien van de handhaving van de huisregels en het belang van de werkgever bij handhaving daarvan. De rechtbank heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van de rechtbank is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering

Verder lezen
Terug naar overzicht