HR 20-09-2002 (Beentjes/Lokhorst), RvdW 2002, 142, JOL 2002, 474


Bedrijfsongeval. Smartengeld.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Haarlem 10-06-1998 en Rechtbank Haarlem 01-08-2000, NJkort 2000, 93, Prg. 2000, 5577, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 34). Een timmerman verliest zijn evenwicht in een bouwlift en stort negen meter naar beneden. Als gevolg van dit ongeval raakt hij in coma en overlijdt tenslotte. De erfgenamen van de werknemer vorderen van de werkgever schadevergoeding en smartengeld. De kantonrechter wijst de laatste vordering af omdat deze afstuit op het "bewustzijnsvereiste" nu de werknemer steeds in coma heeft gelegen. In hoger beroep overweegt de rechtbank dat bij toekenning van smartengeld terughoudendheid past. Omdat de werknemer niet voortdurend volledig in coma was maar gedurende ongeveer anderhalve maand voor zijn overlijden moet hebben beseft wat hem was overkomen, gaat de rechtbank er van uit dat hij hiervan leed heeft ondervonden, waarvoor een vergoeding van NLG 5.000,-- billijk is. Met betrekking tot de periode dat de werknemer volledig in coma was, overweegt de rechtbank dat het recht op smartengeld in beginsel moet worden opgevat als een recht van de benadeelde zelf voor het leed dat hij zelf heeft ondergaan. Een dergelijk recht is vatbaar voor overgang onder algemene titel. Omdat de werknemer in comateuze toestand onvoldoende besef heeft gehad van hetgeen hem is overkomen bestaat er onvoldoende grond om te kunnen zeggen dat er sprake is geweest van gederfde levensvreugde en/of van een geschonden rechtsgevoel. Smartengeld over deze periode dient dan ook te worden afgewezen. De Hoge Raad acht deze redenering onjuist. Op grond van art. 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW komt de werknemer een naar billijkheid vast te stellen vergoeding toe indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van art. 6:106 lid 2 BW gaat dit recht op vergoeding over onder algemene titel. Dat de werknemer enige tijd in bewusteloze toestand verkeerde is niet van belang. Dit is wel van belang voor de mate waarin de werknemer nadeel heeft ondervonden. Hoewel men van oordeel zou kunnen zijn dat de werknemer gedurende die periode van bewusteloosheid geen nadeel heeft ondervonden in de vorm van pijn en verdriet rechtvaardigt dit niet zonder meer de conclusie dat er geen sprake is geweest van gederfde levensvreugde omdat de werknemer gedurende die periode niet in staat is geweest van zijn leven te genieten. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld kan er dus ook over deze periode sprake zijn van een in objectieve zin vast te stellen nadeel. Het oordeel van de rechtbank dat de werknemer zich bewust moet zijn geweest van dit nadeel wil er van overgang van het recht op smartengeld sprake kunnen zijn, is onjuist. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar…

Terug naar overzicht