HR 20-09-2002 (X/Fino), JOL 2002, 480


Afroepovereenkomst. Bewijs. Ongewenste intimiteiten. Ontslag op staande voet.

De arbeidsovereenkomst van een beveiligingsbeambte wordt na afloop van de duur van zes maanden omgezet in een afroepcontract. De werkgever beëindigt dit contract na ongeveer zeven maanden met onmiddellijke ingang. De werknemer gaat niet akkoord en meldt zich ziek. Hij vordert een verklaring voor recht dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en nietigverklaring van het ontslag. Daarnaast vordert de werknemer inzage in zijn personeelsdossier en afgifte van kopieën van zijn urenstaten. De werkgever stelt dat er sprake is van een afroepcontract dat op grond van de CAO per dag kan worden beëindigd. Ingeval er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst dan is de werknemer op staande voet ontslagen wegens ongewenste intimiteiten jegens een medewerkneemster. De kantonrechter draagt de werkgever bij tussenvonnis op de verweten gedragingen van de werknemer te bewijzen. Op grond van getuigenverklaringen acht de kantonrechter het bewijs geleverd en wijst de vorderingen af. De werknemer gaat in beroep omdat de kantonrechter in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor heeft gehandeld door de werknemer niet in de gelegenheid te stellen te reageren op stukken die de werkgever bij conclusie van enquête had ingediend. De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat niet gebleken is dat de kantonrechter zijn oordeel heeft gebaseerd op de conclusie na enquête. Daarnaast is de rechtbank met de kantonrechter van oordeel dat uit de getuigenverklaringen met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedragingen en derhalve terecht op staande voet is ontslagen. Wel is de rechtbank van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte niet op de overige vorderingen van de werknemer is ingegaan. De rechtbank veroordeelt de werkgever tot het verlenen van inzage in het personeelsdossier en afgifte van de urenstaten. De werknemer gaat in cassatie. Het OM is met de werknemer van mening dat de rechter geacht mag worden alle processtukken in aanmerking te nemen en zijn beslissing in die zin op alle processtukken te baseren. De overweging van de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat de kantonrechter zijn beslissing mede op die later ingediende stukken van de werkgever heeft gebaseerd, is hiermee niet in strijd. De rechtbank heeft bedoeld dat de kantonrechter zonder de betreffende stukken niet tot een andere beslissing zou zijn gekomen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de werknemer geen belang heeft bij zijn grief. Bovendien heeft de werknemer zich in hoger beroep alsnog over de betrokken stukken van de werkgever kunnen uitlaten. Het OM is het ook niet eens met de werknemer dat de rechtbank zonder zelfstandig onderzoek naar de feiten het oordeel van de kantonrechter heeft overgenomen. Uit de overweging van de rechtbank dat hij met de kantonrechter van oordeel is dat uit de getuigenverklaringen met voldoende mate van zekerheid kan…

Terug naar overzicht