HR 20-12-2002 (Bollemeijer/PTT), RvdW 2003, 7, NJ 2003, 153, JAR 2003, 19


Bepaalde tijd. CAO.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 19.

Een werknemer is voor bepaalde tijd in dienst getreden bij PTT Post. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is de KPN CAO van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is aansluitend vijf maal verlengd. Bij de verlenging van de arbeidsovereenkomst zijn partijen in afwijking van de KPN CAO steeds uitdrukkelijk overeengekomen dat deze na het verstrijken van de bepaalde tijd, zonder voorafgaande opzegging, zou eindigen. Deze bepaling kwam overeen met een door PTT Post en de vakorganisaties bij de niet algemeen verbindend verklaarde CAO Briefpost 2000 gemaakte afspraak. De werknemer is geen lid van een vakorganisatie. In cassatie is de vraag aan de orde of de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de laatste termijn inderdaad van rechtswege is geëindigd. De Hoge Raad overweegt dat een CAO niet rechtstreeks van toepassing is ingeval zij niet algemeen verbindend is verklaard en de werknemer geen lid is van de daarbij betrokken contracterende vakorganisaties. In het geval dat afwijking van een bepaling van dwingend recht (slechts) bij CAO mogelijk is, terwijl een CAO die niet rechtstreeks van toepassing is, een zodanige afwijking inhoudt, moet worden aangenomen dat in de bescherming van de werknemer, die is beoogd met het dwingendrechtelijke karakter van de desbetreffende wetsbepaling, is voorzien doordat de vakorganisaties bij de totstandkoming van de CAO betrokken zijn geweest. Dit brengt mee dat partijen in hun (individuele) arbeidsovereenkomst een afwijking van de dwingende wetsbepaling kunnen opnemen, mits deze afwijking overeenkomt met hetgeen is neergelegd in een CAO, ook ingeval deze CAO niet rechtstreeks van toepassing is. De CAO Briefpost 2000 is op de arbeidsovereenkomst tussen PTT Post en deze werknemer niet rechtstreeks van toepassing, noch door partijen van toepassing verklaard. Dit betekent dat de in art. 7:668 lid 5 BW (oud) voorziene mogelijkheid van afwijking bij CAO van (onder meer) art. 7:668 lid 3 BW (oud), inhoudende dat indien een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst is voortgezet, voor haar beëindiging voorafgaande opzegging nodig is, niet kan worden gegrond op rechtstreekse toepasselijkheid van de desbetreffende bepaling in deze CAO. Dit neemt evenwel niet weg dat, nu bij de verlengingen van de arbeidsovereenkomst telkens door partijen uitdrukkelijk is overeengekomen dat de voor bepaalde tijd verlengde overeenkomst van rechtswege zou eindigen, en daarbij is verwezen naar "de afspraken die zijn gemaakt met de vakorganisaties over het gebruik van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in het kader van Briefpost 2000", de afwijking van art. 7:668 lid 3 BW (oud) als geldig moet worden aangemerkt. Gelet op art. 6:248 lid 2 BW zou alleen dan kunnen worden geoordeeld dat de overeengekomen beëindiging van rechtswege niet van toepassing is, indien dit…

Terug naar overzicht