HR 21-02-2003 (Nassy/Curaçao), JOL 2003, 107


Gelijke behandeling. Pensioen.

(Zie voorgeschiedenis HR 28-05-1999, RvdW 1999, 83, NJ 1999, 816, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 130). Op 3 september 1992 vordert een arts van het Eilandgebied Curaçao een vergoeding van kosten voor een pensioenvervangende verzekering vanaf 1 januari 1984 tot 1 april 1994 (de datum waarop zij tot ambtenaar in vaste, pensioengerechtigde dienst is benoemd). Het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) wijst de vordering af in tegenstelling tot het Gem. Hof NA en Aruba dat de vordering toewijst vanaf 3 september 1992. De Hoge Raad heeft dit vonnis vernietigd, zowel in het principale als in het incidentele beroep en verwijst de zaak naar het Hof. Het Hof overweegt dat het nog slechts gaat om de vraag of ten behoeve van de werkneemster een pensioenvervangende verzekering is gesloten en zo ja vanaf welke datum de kosten van die verzekering moeten worden vergoed. Na tussenvonnis oordeelt het Hof dat als vaststaand moet worden aangenomen dat een pensioenvervangende uitkering is of wordt gesloten en dat het Eilandgebied wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten voor een pensioenvervangende verzekering vanaf 3 september 1992 tot 1 april 1994, omdat de werkneemster niet voor 3 september 1992 om vergoeding heeft verzocht en op grond van het gelijkheidsbeginsel geen aanspraak bestaat op vergoeding over een voor de aanvraag gelegen periode. Tegen het vonnis gaan zowel de werkneemster als het Eilandgebied in cassatie. De werkneemster stelt dat het Hof heeft miskend dat de verplichting tot gelijke behandeling niet pas geldt na een daartoe strekkend verzoek van de werkneemster. Bovendien heeft het Hof niet voldoende gemotiveerd waarom de verplichting tot gelijke behandeling pas gold na een verzoek daartoe. Het OM stelt dat de werkneemster eraan voorbijgaat dat het Hof heeft vastgesteld dat de ongelijke behandeling pas op 3 september is ingetreden. Het Hof heeft niet geoordeeld dat een verzoek van de werkneemster nodig was om een reeds bestaande ongelijkheid door de werkgever te doen beëindigen. Ook is het Hof niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door te onderzoeken of de werkneemster wat betreft de ingangsdatum van het recht op vergoeding in vergelijking met andere artsen ongelijk is behandeld. Het Eilandgebied heeft zich immers steeds op het standpunt gesteld dat indien de vordering zou worden toegewezen, dit zou dienen te zijn vanaf het moment dat de werkneemster daarom vroeg. De klacht dat het Hof ten onrechte acht heeft geslagen op nieuwe feitelijke stellingen van het Eilandgebied is ongegrond omdat er geen sprake is van ongeoorloofde nieuwe feitelijke stellingen. Met betrekking tot de klacht dat het Hof onvoldoende is ingegaan op de stellingen van de werkneemster is het OM van oordeel dat het Hof steeds van oordeel is geweest dat een verzoek om als ambtenaar in vaste pensioengerechtigde dienst te worden opgenomen niet kan gelden als een…

Verder lezen
Terug naar overzicht