HR 21-03-2003 (Van der Gulik/V&P), RvdW 2003, 55, JAR 2003, 91


Loon. Schorsing. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 91.

Nadat tussen een werkgever en een werknemer problemen waren gerezen, heeft de werkgever de werknemer op non-actief gesteld. De werknemer is op dezelfde dag door zijn huisarts arbeidsongeschikt verklaard en heeft zich met ingang van die dag ziek gemeld. Meer dan een jaar na de schorsing is de arbeidsovereenkomst ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer. De werknemer heeft loon gevorderd vanaf de op non-actiefstelling tot aan het einde van het dienstverband. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. In zijn eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat vast is komen te staan dat de werknemer zich ernstig heeft misdragen, en wel dusdanig dat de werkgever, mede gelet op de reeds tussen partijen gerezen problemen, gegronde redenen had om de werknemer op non-actief te stellen. Volgens de rechtbank heeft de werknemer de op non-actiefstelling aan zich zelf te wijten, zodat de oorzaak van het niet verrichten van de werkzaamheden voor zijn rekening behoort te komen. De Hoge Raad overweegt dat ingevolge art. 7:628 lid 1 BW de werknemer het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon behoudt indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Een schorsing of een op non-actiefstelling ligt in de risicosfeer van de werkgever en is "een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen" in de zin van deze bepaling, zodat de werkgever ook tijdens een schorsing of een op non-actiefstelling verplicht is tot doorbetaling van loon. Dat is ook het geval indien de werkgever gegronde redenen had om de werknemer te schorsen of op non-actief te stellen en de schorsing of op non-actiefstelling aan de werknemer zelf is te wijten. Een (tijdelijke) inbreuk op het recht van de werknemer op loon, en derhalve een schorsing of op non-actiefstelling met inhouding van loon, is alleen mogelijk, indien naar luid van het in dit geding toepasselijke lid 5 (oud) van art. 7:628 BW van dit artikel is afgeweken bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement.

Terug naar overzicht