HR 21-06-2002 (Van Est/Kimberly), JOL 2002, 350, NJ 2002, 540, JAR 2002, 167


Loon. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 167.

De werknemer vordert nabetaling van salaris vanaf 1 januari 1995 tot het einde van het dienstverband op 1 december 1997. Hij meent daarop recht te hebben in verband met verplichtingen van de werkgever ter zake van periodieke salarisverhogingen, die volgens hem in de tot 1 december 1997 tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst waren opgenomen dan wel daarin besloten lagen. In hoger beroep heeft de rechtbank de vordering afgewezen op de grond dat, alle door haar genoemde omstandigheden in aanmerking genomen, het ruim anderhalf jaar wachten met alsnog met bezwaren komen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid rechtsverwerking met zich brengt. Hiertegen keert zich het cassatiemiddel. De Hoge Raad overweegt dat voorzover het middel zich keert tegen het oordeel van de rechtbank over het bij de werkgever gewekt vertrouwen, het doel treft. De rechtbank heeft met dit oordeel - dat aldus moet worden begrepen dat bij de werkgever het gerechtvaardigd vertrouwen was ontstaan dat het bezwaar van de werknemer ten aanzien van de loskoppeling van de periodieke CAO-salarisverhogingen van het boven-CAO salaris zou blijven rusten - hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Van een onjuiste rechtsopvatting heeft de rechtbank blijk gegeven indien zij mocht hebben geoordeeld dat het enkele feit, dat de werknemer eerst lange tijd nadat de directie van de werkgever op 10 maart 1995 het bezwaar tegen de loskoppeling van de hand had gewezen weer op dat bezwaar is teruggekomen, bij de werkgever het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de werknemer zijn aanspraak op loonsverhoging niet meer geldend zou maken. Voor het aannemen van zodanig vertrouwen is enkel tijdsverloop immers niet toereikend, maar is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist (zie HR 24-04-1998, NJ 1998, 621). Mocht de rechtbank zulks niet hebben miskend, dan is haar oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk. De rechtbank heeft met de door haar gebezigde motivering immers alleen beoordeeld, of het stilzwijgen van de werknemer niet al in een eerder stadium was doorbroken, doch heeft geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die een grondslag (kunnen) opleveren voor gerechtvaardigd vertrouwen.

Terug naar overzicht