HR 21-12-2001 (Planpraktijk/Scheffers), JOL 2001, 772, NJ 2002, 283, JAR 2002, 19


Bepaalde tijd (Reeks opvolgende arbeidsovereenkomsten voor). Bereidheid bedongen arbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 19.

De werknemer heeft op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gedurende een aantal afzonderlijke perioden werkzaamheden (projecten genaamd) verricht als toetser/juri-disch medewerker bij de gemeente waar hij in het kader van het project was gedetacheerd. Het laatste project is op 1 september 1997 beëindigd. De arbeidsovereenkomst met de werkgever is door de kantonrechter ontbonden per 1 november 1997. De werknemer vordert in deze procedure loon over de periode 1 september 1997 tot 1 november 1997, stellende dat hij het recht op loon behoudt indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen (art. 7:628 lid 1 BW). De rechtbank heeft de vordering in appel toegewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat de "overeengekomen arbeid" niet, zoals de werkgever stelt, het afzonderlijke, voor een bepaalde tijd overeengekomen project dient te worden aangemerkt, doch de reeks van opeenvolgende projecten. Het middel bestrijdt dit oordeel van de rechtbank met de klacht dat zij heeft blijk gegeven van een van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "de overeengekomen arbeid" in art. 7:628 lid 1 BW; het laatste project moet als de bedongen arbeid worden beschouwd en die is op 1 september 1997 geëindigd. De Hoge Raad overweegt dat uit het stelsel van de wet en, meer in het bijzonder, de aan art. 7:668 BW (oud) ten grondslag liggende strekking van bescherming van de werknemer volgt dat in een geval als het onderhavige voor de toepassing van art. 7:628 lid 1 BW het begrip "de overeengekomen arbeid" moet worden opgevat als het soort werkzaamheden waartoe de werknemer zich in de voortgezette arbeidsovereenkomst had verplicht. Uit een en ander volgt tevens dat, wanneer de werkgever na afloop van het project waarop de laatste, voor bepaalde tijd aangegane doch niet beëindigde, arbeidsovereenkomst betrekking had, geen nieuw project heeft waarin hij de werknemer arbeid kan doen verrichten, dit in beginsel voor rekening van de werkgever behoort te komen. De in de klachten genoemde omstandigheden kunnen niet eraan afdoen dat het hier gaat om een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, en dat derhalve de werknemer ingevolge art. 7:628 lid 1 BW het recht behoudt op het vastgestelde loon indien hij door die oorzaak de overeengekomen arbeid niet heeft verricht.

Terug naar overzicht