HR 22-02-2002 (Wagenmakers/Van Bruggen), JOL 2002, 119, NJ 2002, 260


Kennelijk onredelijk ontslag. Overgang onderneming.

Een werkgever laat zijn werknemer, een magazijnbediende, ruim 22 jaar in dienst, weten dat hij in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd zijn groothandel in rookartikelen wil beëindigen. Omdat er geen koper te vinden is voor het bedrijf, ontslaat de werkgever de werknemer met toestemming van de RDA. Voordat de opzegtermijn (vijf maanden) is verstreken wordt de werknemer ziek. Na herstel wordt de werknemer alsnog (na een nieuwe ontslagvergunning) met een opzegtermijn van zes maanden ontslagen. De werkgever heeft uiteindelijk gedurende ruim 18 maanden het ziekengeld gesuppleerd en daarna loon doorbetaald. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is in verband met de gevolgen van het ontslag en omdat er geen afvloeiingsregeling is aangeboden. Hij stelt dat het bedrijf is verkocht en er sprake is van overgang van onderneming. De kantonrechter wijst de vordering af omdat op grond van overgang van onderneming de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd en een vordering op grond van kennelijk onredelijk ontslag niet meer mogelijk is. De rechtbank gelast in hoger beroep comparitie van partijen, oordelende dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat er geen afvloeiingsregeling is getroffen, tenzij de werkgever aantoont dat hij daartoe financieel niet in staat was. De werkgever gaat in cassatie. Hij stelt dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is gezien onder andere het hanteren van een extra lange opzegtermijn en het 18 maanden doorbetalen van loon zonder dat de werknemer werkzaamheden heeft verricht. Bovendien had de werknemer ruim twee jaar de gelegenheid zich te oriënteren op de arbeidsmarkt. Ten aanzien van de bedrijfsbeëindiging treft de werkgever geen enkel verwijt. Hij heeft niet tijdig een opvolger kunnen vinden en uiteindelijk zijn bedrijf met grote verliezen verkocht. Het ontslag is met toestemming van de RDA gegeven en ook de overige personeelsleden hebben geen afvloeiingsregeling gekregen. De Hoge Raad is van oordeel dat de vraag of de gevolgen van een opzegging te ernstig zijn in verhouding tot het belang van de werkgever, beantwoord moet worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Door alleen aandacht te besteden aan het feit dat er geen afvloeiingsregeling is getroffen, heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Door niet in te gaan op bovengenoemde omstandigheden is het oordeel bovendien onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het hof.

Verder lezen
Terug naar overzicht