HR 24-01-2003 (Niehe/IMK), RvdW 2003, 25, JOL 2003, 59, NJ 2003, 197, JAR 2003, 42


Faillissement. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 42.

Na beëindiging van het dienstverband met een werknemer is de werkgever failliet verklaard. De (ex)werknemer is in verzet gekomen tegen de eerste (tussentijdse) uitdelingslijst in het faillissement. Hij heeft een vordering aangemeld wegens het niet volledig voldoen door de (ex)werkgever aan zijn verplichting die voortvloeit uit de aan hem gedane pensioentoezegging. De (ex)werknemer heeft een verklaring voor recht gevorderd dat hij ten aanzien van die vordering als schuldeiser in het faillissement zal worden toegelaten met aantekening van preferentie. Het gaat in cassatie aldus om de vraag of de pensioentoezegging een verplichting is die valt onder het bepaalde in art. 3:288, aanhef en onder d, en/of e BW, zodat de werknemer als schuldeiser in het faillissement van de werkgever terzake van die verplichting aanspraak kan maken op voorrang. De Hoge Raad overweegt het volgende. Art. 3:288, aanhef en onder d BW, bevat dezelfde regel als art. 1195, aanhef en onder 4 BW (oud), zoals deze laatste bepaling sinds de wet van 30 mei 1968, Stb. 270, luidde. De preferentie had blijkens de bewoordingen van art. 1195 BW (oud) betrekking op "hetgeen waarop een arbeider (…), een gewezen arbeider, alsmede hun nabestaanden aan in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen jegens de werkgever recht hebben." In deze bewoordingen is tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een vordering van de werknemer jegens de werkgever aan (toekomstige) pensioentermijnen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 1195, aanhef en onder 4 BW (oud) moet worden afgeleid dat de wetgever slechts bescherming beoogde te geven aan werknemers van wie de werkgever niet op grond van art. 2 PSW ter uitvoering van een pensioentoezegging tot een bedrijfsof ondernemingspensioenfonds was toegetreden of een pensioenverzekering had gesloten. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 3:288 BW blijkt dat de wetgever geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd tussen de oude en de nieuwe bepaling. De wetgever heeft terzake van achterstallige verplichtingen tot betaling van pensioenpremies aanvullende bescherming – waarvan de wetgever de noodzaak dus heeft onderkend – willen geven, doch de daarop betrekking hebbende wetgeving is (nog) niet voltooid. Uit dit een en ander volgt dat een vordering als de onderhavige zowel blijkens de tekst van de wet als naar de bedoeling van de wetgever niet valt onder de reikwijdte van art. 3:288, aanhef en sub d BW. Voor een extensieve uitleg die ertoe leidt dat aan de werknemer méér bescherming wordt geboden dan in het vorenstaande is vermeld, laten de duidelijke tekst en de kennelijke bedoeling van…

Terug naar overzicht