HR 28-05-2004 (De Boek/Van Gorp), JAR 2004, 166, JOR 2004, 216


Aansprakelijkheid werkgever. Faillissement. Opzegging. Goed werkgeverschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 166.

Een werknemer met een langdurig dienstverband treedt op verzoek van zijn werkgever in dienst bij een nieuw op te richten bedrijf in dezelfde branche (drukwerk). Korte tijd later verzoekt deze nieuwe werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van onbekwaamheid van de werknemer en een vertrouwensbreuk. De kantonrechter wijst het verzoek af. Vervolgens is de werkgever op eigen aangifte failliet verklaard en vervolgens heeft de curator het dienstverband met de werknemer opgezegd. Een week later wordt door of namens betrokkenen bij de failliete vennootschap een v.o.f. opgericht die zich eveneens op het vervaardigen van drukwerk toelegt. De werknemer vordert van de (voormalig) bestuurder van de failliet schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. In hoger beroep oordeelt het hof dat deze bestuurder in de gegeven omstandigheden onrechtmatig heeft gehandeld. De Hoge Raad overweegt dat het hof op grond van de omstandigheden van het geval kennelijk heeft geoordeeld dat voorshands vaststond dat de bestuurder/werkgever zijn bevoegdheid tot het aanvragen van het eigen faillissement van de werkgever heeft uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor die is verleend, te weten met als vooropgezet doel te bewerkstelligen dat de onderneming van de werkgever feitelijk op de oude voet zou kunnen worden voortgezet, evenwel zonder de werknemer en zonder dat hem de normale arbeidsrechtelijke bescherming werd geboden. Dat oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Terug naar overzicht