HR 29-11-2002 (X/Y), JOL 2002, 651


Kennelijk onredelijk ontslag.

Een werkgever zegt met toestemming van de RDA de arbeidsovereenkomst op van een 52-jarige werknemer, 22 jaar in dienst als voorman/duiker, salaris NLG 4.616,-- bruto per maand, wegens het wegvallen van werkzaamheden voor de enige opdrachtgever. De werknemer acht het ontslag kennelijk onredelijk en vordert een schadevergoeding. De kantonrechter wijst de vordering af in tegenstelling tot de rechtbank die een vergoeding toekent van NLG 75.000,-- bruto. De rechtbank overweegt dat de werknemer gedurende de procedure geen ander passend werk heeft gekregen en meerdere jaren werkloos is geweest. De werkgever gaat in cassatie, stellende dat dit feitelijke gegeven niet in de stellingen van partijen besloten lag en dus niet door de rechtbank in de beoordeling mocht worden betrokken. Het OM stelt dat de rechter zich niet behoeft te beperken tot de feiten die procespartijen expliciet gesteld hebben of aan de gevolgtrekkingen die zij hebben voorgehouden. De rechter mag ook zelf zijn gevolgtrekkingen maken aan de hand van de gestelde feiten. Aangezien de kantonrechter reeds had vastgesteld dat de werknemer op de WW was aangewezen en aangezien de werkgever heeft beaamd dat de werknemer gezien zijn leeftijd niet gemakkelijk als duiker inzetbaar zou zijn, kon de rechtbank in dit geval concluderen zoals hij heeft gedaan. Met betrekking tot de kennelijke onredelijkheid van het ontslag stelt het OM dat dit beoordeeld moet worden naar de omstandigheden op het moment van het ontslag. Later ingetreden omstandigheden mogen alleen een rol spelen ter bevestiging van de ten tijde van het ontslag bestaande verwachtingen (zie HR 17-10-1997, Schoonderwoert BV/Schoonderwoerd, RvdW 1997, 197, NJ 1999, 266, JAR 1997, 245, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 146). De rechtbank heeft zijn overweging over de langdurige werkloosheid gebruikt als ondersteuning van zijn oordeel dat de werkgever ten tijde van het ontslag rekening moest houden met de geringe kans dat de werknemer ander passend werk zou vinden. Het feit dat de werkgever gedurende de tijd waarin de werknemer weinig of niet heeft gewerkt, gewoon heeft doorbetaald, is gelet op de omstandigheden van het geval niet van belang voor het vaststellen van een voorziening in verband met de kennelijke onredelijkheid van het ontslag. Afhankelijk van de omstandigheden kan het best zo zijn dat een werkgever niet voldoet aan de norm van goed werkgeverschap als hij voor zijn werknemer geen voorziening heeft getroffen om tegemoet te komen aan de onvrijwillige werkloosheid. Onder verwijzing naar HR 25-06-1999, Driessen/Boulidam (RvdW 1999, 107, NJ 1999, 601, JAR 1999, 149, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 171), is het OM van oordeel dat de rechtbank geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dat het verweven…

Verder lezen
Terug naar overzicht