HR 31-05-2002 (De Heel/Huisman c.s.), RvdW 2002, 91, JOL 2002, 313, JAR 2002, 153


CAO. Functiewaardering. Loon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 153.

Een aantal fysiotherapeuten was per 1 januari 1996 meer dan tien jaar bij een ziekenhuis in dienst. Vanaf deze datum is de CAO voor het Ziekenhuiswezen op hun arbeidsovereenkomsten van toepassing geworden en deze is in hun individuele arbeidsovereenkomsten geïncorporeerd. Bij de inschaling van deze werknemers in een functiegroep heeft het ziekenhuis geen rekening gehouden met de ervaringsjaren van de fysiotherapeuten; zij worden uitbetaald conform salarisschaal 26, hetgeen correspondeert met nul ervaringsjaren. In deze procedure vorderen de fysiotherapeuten betaling van 1 januari 1996 af van een salaris conform schaal 40 van de CAO, waarbij wel met hun ervaringsjaren wordt rekening gehouden. Daarbij gaat het om de uitleg van de CAO en de Uitvoeringsregeling, die geen uitdrukkelijke regeling bevatten voor een situatie als de onderhavige, waarin de CAO van toepassing wordt door een privatiseringsoperatie. Art. 3 lid 4 Uitvoeringsregeling bepaalt dat de werknemer wordt ingedeeld op het bij nul functiejaren vermelde bedrag uit zijn functionele schaal, dan wel, indien verkregen ervaring daartoe aanleiding geeft, op een hoger bedrag uit die schaal; de fysiotherapeuten bepleiten dat aan deze bepaling imperatieve betekenis toekomt. Het ziekenhuis betoogt dat deze bepaling de mogelijkheid openlaat dat wordt ingeschaald op het bij nul functiejaren behorende bedrag (althans op een lager bedrag dan met het werkelijke aantal functiejaren) en dat zulks ter beoordeling van de werkgever staat. Bij de beoordeling van dit betoog stelt de Hoge Raad voorop dat het hier gaat om de uitleg van CAO-bepalingen die algemeen verbindend verklaard zijn en derhalve recht in de zin van art. 79 Wet RO vormen. Voorts geldt als uitgangspunt dat voor de uitleg van de bepalingen van de CAO en de daarbij behorende Uitvoeringsregeling in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn (zie HR 17-09-1993, RvdW 1993, 177, JAR 1993, 234, NJ 1994, 173, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1993, blz. 49). Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voorzover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Art. 3 lid 4 Uitvoeringsregeling moet aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling het ziekenhuis niet ertoe verplichtte de fysiotherapeuten bij het van toepassing worden van de CAO in te delen in een…

Terug naar overzicht