HR 31-05-2002 (Matrans/X), JOL 2002, 315


Bedrijfsongeval. Verjaring.

Een werknemer overkomt op 20 november 1990, de eerste dag dat hij als "radioman-dek" functioneert, een ongeval bij het laden van een containerschip. Als gevolg daarvan wordt de werknemer, die inmiddels een andere functie heeft, twee jaar later afgeschat op 45% arbeidsongeschiktheid. Vier jaar later wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden met een vergoeding van NLG 31.000,-- bruto. De werknemer vordert vervolgens op 10 april 1997 vergoeding van de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het bedrijfsongeval. De kantonrechter wijst de vordering af omdat deze is verjaard. De rechtbank stelt dat het beroep op verjaring slechts opgaat voor de schade opgekomen voor 10 april 1992. Uit niets volgt dat de werknemer ten tijde van het ongeval heeft moeten begrijpen dat zijn bij het ongeval opgelopen letsel zodanig was dat er sprake was van blijvende arbeidsongeschiktheid en daarmee gepaard gaand inkomensverlies. Dat heeft de werknemer pas eind 1992 moeten begrijpen, toen hij werd afgeschat op 45% arbeidsongeschiktheid. Het OM is van oordeel dat onduidelijk is of het middel, dat zich richt tegen het uitgangspunt dat de werknemer ten tijde van het ongeval bekend was met een aantal voortdurende schades, een rechtsklacht of een motiveringsklacht inhoudt. Als rechtsklacht faalt het middel, omdat de rechtbank niet van voortdurende schades is uitgegaan en als motiveringsklacht eveneens, omdat het middel niet aangeeft waarom dat zo zou zijn. Bovendien is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk. Alle andere middelen falen eveneens, of omdat ze niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv of omdat ze zijn gebaseerd op een onjuiste lezing van het vonnis. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt deze conclusie zonder nadere motivering op grond van art. 81 Wet RO.

Terug naar overzicht