HR 31-10-2003 (Vos/Van Boven q.q.), JAR 2003, 280


Wettelijke verhoging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 280.

De kantonrechter heeft de vordering van (de curator van) een werknemer tegen de werkgever tot betaling van achterstallig loon toegewezen en bepaald dat de wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%. De rechtbank heeft het vonnis bekrachtigd. Het middel van de werknemer richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat art. 7:625 BW aan de rechter een discretionaire bevoegdheid geeft de verhoging te beperken tot een zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen en dat de kantonrechter kennelijk omstandigheden aanwezig heeft geacht, die naar zijn oordeel op basis van billijkheid een matiging tot 10% rechtvaardigden, op welke grond de rechtbank de grief heeft verworpen. De Hoge Raad overweegt dat het middel terecht klaagt dat de rechtbank heeft verzuimd zelfstandig te beoordelen en te beslissen of, en zo ja in welke mate, de wettelijke verhoging wegens vertraging in de betaling van het loon diende te worden gematigd. Voorzover de rechtbank ervan mocht zijn uitgegaan, dat hij kon volstaan met een beoordeling van de vraag of de kantonrechter de onderhavige vordering kon matigen op de wijze waarop hij dit heeft gedaan, heeft hij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien hij zelfstandig een oordeel daaromtrent diende te geven. Voorzover de rechtbank daarvan niet mocht zijn uitgegaan, is zijn oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.

Terug naar overzicht