HvJ EG 08-05-2003 (Wählergruppe), JAR 2003, 212


Buitenlandse werknemer. Gelijke behandeling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 212.

In Oostenrijk bestaan zogeheten Arbeiterkammern. Deze hebben tot doel de belangen van werknemers te behartigen en houden daartoe onder meer toezicht op de arbeidsvoorwaarden, geven advies aan bij de Kammer aangesloten werknemers en kunnen deze werknemers vertegenwoordigen in arbeids- en sociaalrechtelijke aangelegenheden en procedures. In beginsel zijn alle werknemers lid van een Arbeiterkammer. De algemene vergadering van de Arbeiterkammer wordt voor een periode van vijf jaar door de stemgerechtigde werknemers verkozen. Een van de vereisten voor verkiesbaarheid is het hebben van de Oostenrijkse nationaliteit. Het niet hebben van deze nationaliteit is voor de hoofdkiescommissie van de Arbeiterkammer in de deelstaat Vorarlberg reden geweest om vijf Turkse werknemers van de kandidatenlijst van één van de Wählergruppe te schrappen. De Turkse werknemers voldeden wel aan alle andere vereisten voor verkiesbaarheid. De Wählergruppe heeft daarop gesteld dat de uitslag van de verkiezingen niet geldig was. De Oostenrijkse rechter heeft over de kwestie vragen gesteld aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof overweegt dat art. 10 lid 1 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije rechtstreekse werking heeft omdat dit artikel een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst voor de uitvoering waarvan geen verdere handeling vereist is. In het artikel is bepaald dat de lidstaten van de EG op Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren, een stelsel moeten toepassen waarbij ten aanzien van de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit ontbreekt. Dit artikel moet op dezelfde wijze worden uitgelegd als het vergelijkbare verbod op nationaliteit dat binnen de EU zelf geldt (art. 48 EG-Verdrag). Dat betekent, gelet op de jurisprudentie terzake, dat een verbod op verkiesbaarstelling voor een Arbeiterkammer een verboden discriminatie naar nationaliteit oplevert. Hieraan doet niet af dat de Arbeiterkammern in bepaalde opzichten (kunnen) deelnemen aan de uitoefening van het openbaar gezag. In de eerste plaats heeft de verwijzingsrechter vastgesteld dat het niet in de aard van de Arbeitkammern ligt om deel te nemen aan de uitoefening van het openbaar gezag en in de tweede plaats dient deze uitzondering op het beginsel van vrij verkeer van werknemers beperkt te worden uitgelegd en alleen te worden toegepast in geval specifieke activiteiten van een bepaalde instantie een rechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag met zich brengen. In het onderhavig geval is hiervan geen sprake. De uitsluiting van de Turkse werknemers van de kandidatenlijst is dan ook in strijd met het op de Associatieovereenkomst EG-Turkije gebaseerde besluit nr. 1/80 van de Associatieraad.

Terug naar overzicht