HvJ EG 10-02-2000 (Deutsche Telekom/Schröder), JAR 2000, 103


Gelijke behandeling. Deeltijdarbeid. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 103.

Een werkneemster heeft gedurende 20 jaar parttime gewerkt totdat zij met pensioen ging en zij ontvangt sindsdien een wettelijk ouderdomspensioen. Tot 1991 was de werkneemster niet verzekerd voor een aanvullend pensioen. De werkneemster vordert thans een aanvullend pensioen op basis van haar gehele diensttijd, stellende dat uitsluiting van deeltijdwerkers van het recht op een aanvullend pensioen in strijd is met art. 119 EG-Verdrag. Het Arbeitsgericht wijst de vordering toe op grond van de Duitse grondwet. De werkgever gaat in hoger beroep stellende dat art. 119 EG-verdrag voorrang heeft boven de grondwet en dat beperking van de werking in de tijd geldt in geval van discriminatie op het gebied van regelingen inzake sociale zekerheid. Het Landesgericht legt de zaak voor aan het Europees Hof. Het Hof stelt vast dat uitsluiting van deeltijdwerkers van een bedrijfspensioenregeling in strijd is met art. 119 EG-Verdrag. Onder verwijzing naar diverse arresten stelt het Hof dat de enige beperking in tijd, die geldt voor de mogelijkheid om zich met betrekking tot de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling respectievelijk het recht op een pensioenuitkering, op de rechtstreekse werking van art. 119 EG-Verdrag te beroepen, is die volgt uit het arrest Defrenne II (HvJ EG 08-04-1976). Tijdvakken voor die datum kunnen niet in aanmerking worden genomen voor de aansluiting bij een pensioenregeling en voor de berekening van de pensioenuitkering, tenzij de werknemer voor die datum een rechtsvordering heeft ingesteld. De beperking had echter niet de bedoeling de mogelijkheid uit te sluiten om zich op nationale bepalingen te beroepen die een gelijkheidsbeginsel omvatten. Het risico van verstoring van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten, ten nadele van werkgevers in een lidstaat die volledige pensioenreparatie voorschrijft, staat hieraan niet in de weg. Het economische doel van art. 119 EG-Verdrag, namelijk opheffing van de mededingingsverstoringen tussen in verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen, heeft een ondergeschikte betekenis ten opzichte van het sociale doel van deze bepaling (gelijke behandeling), dat de uitdrukking vormt van een fundamenteel mensenrecht.

Terug naar overzicht