HvJ EG 15-05-2003 (Mau/Bundesanstalt), JAR 2003, 245


Faillissement. Loon. Ouderschapsverlof.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 245.

De werkneemster heeft vanaf 1 januari 1999 van haar werkgever geen loon meer ontvangen. Tussen 16 september 1999 en 29 december 1999 heeft zij een moederschapsuitkering genoten. Deze diende op grond van het Duitse recht in mindering te worden gebracht op het door haar werkgever te betalen loon. Vanaf 30 december 1999 was de werkneemster met ouderschapsverlof en ontving zij uit dien hoofde een uitkering. Haar arbeidsverhouding bleef in die periode bestaan, maar de verplichtingen tot loonbetaling en het verrichten van arbeid werden opgeschort. De werkneemster heeft in rechte betaling van achterstallig loon gevorderd, welke vordering bij verstek is toegewezen. Bij brief van 16 december 1999 heeft het orgaan dat sociale premies int om inleiding van de insolventieprocedure jegens de werkgever verzocht. De rechter heeft dit verzoek afgewezen bij gebrek aan activa. De werkneemster heeft Insolvenzgeld verzocht over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 december 1999. Dit verzoek is afgewezen, waarna de werkneemster een procedure heeft gestart. De Duitse rechter heeft het Europees Hof van Justitie vragen gesteld over de daarbij te hanteren criteria. Het Europees Hof stelt vast dat de dag waarop de insolventie van de werkgever intreedt en waarop de periode aanvangt waarover het achterstallig loon moet worden betaald, de datum is waarop het verzoek om inleiding van de insolventieprocedure is ingediend. Onvervulde aanspraken over de laatste drie maanden van de arbeidsovereenkomst gelegen binnen een periode van zes maanden vóór die datum moeten worden gehonoreerd. Het Duitse recht is derhalve in strijd met het EG-recht waar het bepaalt dat de dag waarop de insolventie intreedt, de datum is waarover op het insolventieverzoek wordt beslist. De Duitse rechter heeft echter aangegeven dat hij het nationale recht conform het EG-recht zou kunnen uitleggen indien het begrip arbeidsverhouding in richtlijn 80/987 zo zou kunnen worden uitgelegd dat hieronder niet worden begrepen perioden waarin de arbeidsverhouding wegens ouderschapsverlof is opgeschort. In dat geval zou het verzoek van de werkneemster kunnen worden toegewezen zonder dat hoeft komen vast te staan of Duitsland aansprakelijk is wegens het onjuist omzetten van de richtlijn in het Duitse recht. Het Europees Hof oordeelt in dit opzicht dat de uitleg die de Duitse rechter voorstaat, correct is. Een uitleg waarin een werkneemster geen Insolvenzgeld zou krijgen omdat de laatste drie maanden voorafgaand aan de insolventie samen zouden vallen met een periode waarin haar arbeidsverhouding was opgeschort, zou afbreuk doen aan het beschermende karakter van de richtlijn. De periode waarin de arbeidsverhouding was opgeschort dient daarom niet mee te tellen bij het bepalen van de drie maanden waarover recht op Insolvenzgeld bestaat.

Terug naar overzicht