HvJ EG 20-03-2003 (Kutz-Bauer/Hamburg), JAR 2003, 130


Deeltijdarbeid. Gelijke behandeling. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 130.

Op grond van een CAO voor de openbare sector, die is gebaseerd op de Duitse wet betreffende deeltijdarbeid voor oudere werknemers, kunnen werknemers vanaf hun 60e jaar minder gaan werken indien zij daartoe een overeenkomst met hun werkgever sluiten en deze een werkloze in dienst neemt. De werknemer kan ofwel over de hele periode tot aan de pensioenleeftijd minder werken, of een aantal jaar voltijds blijven werken en daarna stoppen met werken. De werkneemster verzocht haar werkgever, de stad Hamburg, om overeenkomstig deze CAO met haar een overeenkomst af te sluiten in het kader waarvan zij van haar 60e tot haar 62,5e voltijds zou blijven werken en daarna zou stoppen met werken. De stad Hamburg wees het verzoek af omdat de werkneemster op grond van de pensioenwet van de stad Hamburg vanaf haar 60e aanspraak zou kunnen maken op een volledig wettelijk ouderdomspensioen. Dit zou ertoe leiden dat, als een overeenkomst betreffende deeltijdarbeid zou worden gesloten, de arbeidsovereenkomst met de werkneemster met onmiddellijke ingang zou eindigen. De regeling inzake deeltijdarbeid loopt namelijk door tot het moment waarop de werknemer recht krijgt op een volledig wettelijk ouderdomspensioen. De werkneemster stelt dat deze regeling discriminerend is omdat de pensioenleeftijd voor mannen in de stad Hamburg op 65 jaar ligt en zij daarom op veel ruimere schaal gebruik kunnen maken van de regeling inzake deeltijdarbeid. Het Duitse Arbeitsgericht stelt prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof overweegt dat het stelsel van deeltijdarbeid regels bevat inzake de arbeidsvoorwaarden in de zin van richtlijn 76/207 en niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn inzake sociale zekerheid (97/7) valt. Het Europees Hof stelt vervolgens vast dat, nu de groep personen die reeds op 60-jarige leeftijd een volledig pensioen kunnen ontvangen vrijwel uitsluitend uit vrouwen bestaat, en het merendeel van de werknemers die gedurende vijf jaar, vanaf het 60e jaar, gebruik kunnen maken van de regeling inzake deeltijdarbeid mannen zijn, er sprake is van indirecte discriminatie. Deze discriminatie kan niet worden gerechtvaardigd door algemene overwegingen inzake het bestrijden van werkloosheid en ook niet door overwegingen van budgettaire aard. Oordeelt de nationale rechter dat de deeltijdregeling een verboden discriminatie oplevert, dan dient de rechter deze ongedaan te maken door de gunstige regeling ook toe te passen op de benadeelde groep, dus door ook vrouwen vanaf hun 60e van de deeltijdregeling gebruik te laten maken.

Terug naar overzicht