HvJ EG 26-06-2001 (Brunnhofer/Postsparkasse), JAR 2001, 159


Loon. Gelijke behandeling. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 159.

Een werkneemster ontving een lager salaris dan een mannelijke collega die volgens haar hetzelfde werk verrichtte. Het basissalaris van beide werknemers was hetzelfde, maar de mannelijke collega ontving krachtens zijn arbeidsovereenkomst een individuele toelage die hoger was dan de toelage die de werkneemster kreeg. Beide werknemers waren ingeschakeld in dezelfde trap van dezelfde functiegroep. De werkneemster stelt dat er sprake is van discriminatie op grond van geslacht. De werkgever stelt dat, hoewel beide functies aanvankelijk als gelijkwaardig golden, de mannelijke collega mettertijd belangrijker werkzaamheden is gaan verrichten. Verder zou zijn werk van betere kwaliteit zijn. De Oostenrijkse rechter stelt prejudiciële vragen over het criterium "werk van gelijke waarde", over de bewijslastverdeling en over mogelijke rechtvaardigingsgronden voor het salarisverschil. Het Europees Hof van Justitie overweegt dat het feit dat de werkneemster en haar mannelijke collega in dezelfde functiegroep zijn ingedeeld op zichzelf niet voldoende is om te kunnen concluderen dat zij werk van gelijke waarde verrichten in de zin van art. 119 EG-Verdrag. Daarvoor moet ook gekeken worden naar gegevens als de aard van de in concreto verrichtte werkzaamheden, de opleidingsvereisten voor die werkzaamheden en de arbeidsomstandigheden waaronder deze worden verricht. Het is aan de nationale rechter om een en ander te onderzoeken. Met betrekking tot de bewijslastverdeling overweegt het Europees Hof dat de werkneemster dient aan te tonen dat zij een lagere beloning ontvangt dan de mannelijke collega die gelijk of gelijkwaardig werk verricht. Slaagt zij daarin, dan is het aan de werkgever om te bewijzen dat er geen sprake is van ongelijke beloning of om hiervoor een rechtvaardigingsgrond aan te voeren. Als rechtvaardigingsgrond kan, in geval van arbeid tegen tijdloon, niet aangevoerd worden dat na indiensttreding van de betrokken werknemers is gebleken dat de arbeidscapaciteit of de kwaliteit van het werk van de ene werknemer beter is dan van de ander. Is de werkgever van oordeel dat dit het geval is, dan kan hij andere maatregelen nemen zoals bijvoorbeeld overplaatsing. Het betalen van een lager loon op grond van een beoordeling van het functioneren is echter niet toegestaan, alleen al niet omdat dan niet valt uit te sluiten dat overwegingen in verband met geslacht daarbij een rol hebben gespeeld

Terug naar overzicht