HvJ EG 27-02-2002 (Weber/UOS), JAR 2002, 208


Competentie. Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 208.

(Zie voorgeschiedenis HR 04-02-2000, RvdW 2000, 42, JOL 2000, 72, JAR 2000, 64, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 87). De werknemer, Duits onderdaan, is van juli 1987 tot en met 30 december 1993 werkzaam geweest als kok in dienst van de werkgever, een vennootschap naar Schots recht, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Hij is onder meer, maar niet uitsluitend, werkzaam geweest boven het Nederlandse deel van het continentaal plat aan boord van schepen of mijnbouwinstallaties in de zin van de Nederlandse Wet arbeid mijnbouw Noordzee. Wanneer hij waar werkte, staat niet precies vast. Het enige dat vaststaat is dat de werknemer van 21 september tot en met 30 december 1993 op een kraanbak in de Deense wateren heeft gewerkt. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 30 december 1993. De werknemer heeft vervolgens voor de Kantonrechter Alkmaar gesteld dat deze beëindiging onregelmatig is geschied. De werkgever heeft op zijn beurt aangevoerd dat de rechter niet bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter heeft dit verweer afgewezen, de rechtbank heeft het grotendeels toegewezen en de Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof stelt vast dat arbeid verricht op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat onder de Noordzee voor de toepassing van art. 5 sub 1 EEX, in welk artikel is bepaald dat een werkgever kan worden opgeroepen voor het gerecht van het land waar de werknemer gewoonlijk de arbeid verricht ook indien de werkgever in een andere verdragsluitende staat is gevestigd, moet worden aangemerkt als arbeid verricht op Nederlands grondgebied. Voor het beantwoorden van de vraag of de werknemer geacht moet worden zijn arbeid gewoonlijk in Nederland te hebben verricht, moet rekening worden gehouden met de volledige duur van het dienstverband. De plaats waar de werknemer over dit hele dienstverband bezien het grootste deel van de arbeidstijd heeft doorgebracht, is de plaats waar hij gewoonlijk de arbeid heeft verricht. Dit is slechts anders indien het geschil, gelet op de gegevens van het concrete geval, nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats van arbeid. Kan de rechter aan de hand van deze criteria niet bepalen waar gewoonlijk de arbeid wordt verricht, dan heeft de werknemer de keuze om zijn werkgever op te roepen hetzij in het land waar de vestiging van de werkgever zich bevindt die hem in dienst heeft genomen, hetzij in het land waar hij woont. Het nationale recht is niet van invloed op de uitleg van het begrip plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van art. 5 sub 1 EEX.

Terug naar overzicht